Op 7 februari 2026 overleed de Nijmeegse hoogleraar Peter Nissen op 68-jarige leeftijd. Peter Nissen was zijn leven lang betrokken bij de oecumene. Sinds 2021 was hij voorzitter van de Beraadgroep Geloof en Kerkelijke Gemeenschap en lid van de Plenaire Raad. Ad van der Dussen, de vicevoorzitter van de Beraadgroep, herdenkt hem.
Als Peter zich als voorzitter van de Beraadgroep Geloof en Kerkelijke Gemeenschap gereed maakte om een vergadering te openen, haalde hij eerst een stuk of wat boeken uit zijn tas. Vaak zat er literatuur bij die betrekking had op het specifieke onderwerp dat besproken zou worden. Daarnaast vroeg hij aandacht voor nieuwe publicaties op het gebied van de oecumene. En bijna altijd haalde hij ook een boek tevoorschijn waaruit hij iets voorlas in het kader van de opening: iets meditatiefs dat diende ter overweging en bezinning. Vorig jaar bijvoorbeeld, op 6 januari 2025, de feestdag van Christus’ Epifanie, koos hij een passage uit een preek van een tamelijk onbekende kerkvader: Petrus Chrysologus, aartsbisschop van Ravenna in de vijfde eeuw.
Dat was Peter ten voeten uit. Hij zette zijn expertise als (emeritus)hoogleraar Kerkgeschiedenis, Spiritualiteitsstudies en Oecumenica aan de Radboud Universiteit met verve in om de oecumene te dienen. Hij was een zeer belezen mens en slaagde er altijd weer in om interessante en relevante titels op te sporen. Hij lás ze ook, de boeken die hij bestelde. Het moesten boeken zijn die theologisch wat te bieden hadden of die in aansluiting aan de monastieke traditie het hart raakten, of beide tegelijk. Daarnaast wist hij altijd ter voorbereiding van de vergadering links door te sturen naar relevante documenten: van de Duitse bisschoppen, vanuit het Vaticaan, van de Anglicaanse kerk, enzovoorts. Alleen al hierom was Peter een voorzitter die buitengewoon veel voor de Beraadgroep heeft betekend. Hij stelde alles in het werk om een diepere doordenking te stimuleren en het gesprek op een hoger niveau te brengen. Nu hij niet meer onder ons is, realiseren we ons dat des te meer en schrijnt het gemis.
Alle tijd
Daarnaast was karakteristiek voor zijn voorzitterschap, dat hij alle tijd nam om de leden aan het woord te laten. Haast had hij niet; hij vond het belangrijker om een gedachtewisseling zich rustig te laten voltrekken dan om voortdurend op de tijd te letten. Maar als dan precies om twaalf uur het testen van de sirenes klonk – de Beraadgroep kwam en komt meestal op de eerste maandag van de maand bijeen – dan stelde hij laconiek vast dat het tijd was op te stoppen. Hoewel hij zelf uitgesproken standpunten had en die met kennis van zaken kon verdedigen, bleef hij zelf in de gesprekken vaak op de achtergrond. Juist omdat hij zich voldoende bewust was van zijn kwaliteiten, had hij het niet nodig het gesprek te domineren. Anderzijds liet hij zich er graag toe verleiden om ons, soms al gniffelend, te informeren over achtergronden van gebeurtenissen in het Vaticaan, waarvan hij kennis had via zijn uitgebreide netwerk en vele contacten. Het heeft allemaal een onuitwisbare indruk op ons gemaakt.
Oecumene persoonlijk
Hij trad in die functie aan in het voorjaar van 2021; hij volgde zijn leermeester Herwi Rikhof op. Op dat moment vertegenwoordigde hij nog de Remonstrantse Broederschap, waar hij zijn heil had gezocht toen hij het klimaat in de Rooms-Katholieke kerk, waarin hij was opgegroeid en opgeleid, te beklemmend vond worden. Maar het duurde nog geen jaar of hij maakte ons deelgenoot van zijn verlangen om terug te keren naar de Moederkerk. Het maakte indruk om zijn motivatie te horen. Hij miste het liturgische van de Catholica: hij merkte in toenemende mate dat hij aan een meer cerebrale geloofsbeleving niet genoeg had. Onder het pontificaat van Franciscus vond hij ook de ruimte die hij zo nodig had en die hij eerder zocht en vond bij de Remonstranten. Tegelijk was het geen zwart-wit keuze voor hem. Hij genoot ervan om ook na zijn terugkeer in de Catholica in protestantse kerkdiensten voor te gaan, en bleef diepgaand geïnteresseerd in de ontwikkelingen op het protestantse erf. Zo was de oecumene voor hem geen theoretische werkelijkheid, maar beleefde hij haar persoonlijk. Hij beschikte ook over de lange adem die nodig is om het in de oecumene vol te houden. Hij toonde geen spoor van cynisme over de vele obstakels op de weg naar eenheid van de kerken, maar legde een blijvende bevlogenheid aan de dag waardoor het maandelijks overleg onder zijn leiding bijna altijd een plezier was om mee te maken.
‘De erfenis van het Concilie van Nicea’
Met grote schrik vernamen wij vorig voorjaar dat Peter door een herseninfarct getroffen was, en hoeveel tijd zijn herstel vervolgens vroeg. Toen hij aan het begin van het nieuwe seizoen aankondigde dat hij weer present wilde zijn, hielden we er rekening mee dat hij te optimistisch was. Maar inderdaad: op 6 oktober verscheen hij in ons midden, zij het nog niet in zijn functie als voorzitter. Ook nu weer ging zijn tas open: hij haalde er voor alle aanwezigen een exemplaar uit van zijn prachtige boekje De erfenis van het Concilie van Nicea. Het werd genomineerd voor de prijs van ‘het beste theologische boek van het jaar’, en dat is geen wonder. Het kwam als geroepen in het herdenkingsjaar van ‘Nicea’, het is toegankelijk geschreven, en het is fraai geïllustreerd. Zelf plaatste hij overigens vraagtekens bij die nominatie: ‘Zó theologisch is het nu ook weer niet…’ In de vergadering van november nam hij het voorzitterschap weer op zich. Hij oogde kwetsbaar en vermoeid, maar was niettemin gemotiveerd om aan de Beraadgroep leiding te blijven geven. Daar waren we blij mee. Verbijsterd en aangeslagen waren we dan ook toen we hoorden dat hij opnieuw door een herseninfarct getroffen was, en dat de prognose slecht was.
Tijdens de vergadering van maandag 8 februari j.l. bereikte ons het bericht dat Peter was overleden. We hebben een kaars aangestoken en tijd genomen om hem biddend te herdenken en gevoelens van verdriet te delen. We realiseerden ons hoe groot het verdriet van zijn naaste familie wel moet zijn. In de afgelopen jaren liet Peter af en toe doorschemeren hoeveel geluk hij bij hen vond. Zo vertelde hij mij een keer opgetogen over een prachtige treinreis die zijn vrouw en hij hadden gemaakt door de Alpen. Trots en blij toonde hij zich toen een van zijn dochters recent promoveerde. Zijn naar verhouding vroegtijdige sterven zal het leven van zijn vrouw en kinderen ongetwijfeld ontwrichten. Mogen zij troost vinden in het meeleven dat hen van talloos velen zal bereiken, en in het gebed waarmee in de requiemmis van onze dierbaren afscheid wordt genomen:
Requiem æternam dona eis, Domine; et lux perpetua luceat eis.
Schenk hun de eeuwige rust, o Heer; en laat het eeuwig licht op hen schijnen.
Ad van der Dussen
vertegenwoordiger van de Nederlandse Gereformeerde Kerken in de Beraadgroep Geloof en Kerkelijke Gemeenschap

