Onverwacht overleed op 4 mei j.l. na een kort ziekbed Hans Opschoor (1944-2026), nationaal en internationaal geroemd econoom met een grote hartstocht en inzet voor gerechtigheid, milieu en de oecumene. ‘Na ons geen zondvloed!’
Johannes Baptist (Hans) Opschoor werd in 1944 geboren in een Nederlands Hervormd gezin in Zwijndrecht. Hij ging economie studeren in Rotterdam, waar hij als medewerker geïnteresseerd raakte in wat economische groei voor het milieu en de maatschappij betekent. In dat kader woonde hij in 1970 de promotie van Bob Goudzwaard aan de VU bij, over ‘ongeprijsde schaarste’. Goudzwaard besprak de externe effecten van de economie die in de wetenschap meestal verwaarloosd worden. Aan de VU ging Opschoor werken aan een proefschrift dat die gedachten van Goudzwaard empirisch toepaste: de economische waardering van milieuverontreiniging. Hij promoveerde daarop in 1974 en ontwikkelde zich tot één van de grondleggers van de milieueconomie in Nederland (hij muntte het begrip ‘milieugebruiksruimte’) en vervolgens was hij volop betrokken bij het internationale debat over klimaat, milieu en ontwikkeling. Hij werd zowel hoogleraar milieueconomie aan de VU (en directeur van het Instituut voor Milieuvraagstukken van de VU) als hoogleraar ontwikkelingsstudies aan het Institute of Social Studies (ISS) in Den Haag, waar hij ook een aantal jaren rector was. Zijn grote verdiensten in deze functies komen ongetwijfeld elders uitgebreid aan de orde; hier aandacht voor zijn rol in de nationale en internationale oecumene.
Als onderzoeker woonde hij met zijn gezin een tijd in Botswana voor een project over milieu en plattelandsontwikkeling, op afstand mede begeleid door Bob Goudzwaard. Die kwam in 1980 langs. Opschoor had beloofd hem de Kalahari woestijn te tonen. Toen ze ver buiten de bewoonde wereld in hun tent zaten, brak een hevig onweer los, waar ze samen urenlang naar keken. De volgende dag reden ze terug. Hans Opschoor: ‘De woestijn bloeide, even plotseling als uitbundig – we zagen het met eigen ogen. Wat Jesaja ooit als visioen beschreef, is een in de werkelijkheid verscholen mogelijkheid’.
Actief in de oecumene
Aan in de werkelijkheid verscholen mogelijkheden wilde Opschoor graag werken, ook buiten de wetenschappelijke wereld. Een collega-econoom, Harry de Lange, actief in de Sectie Sociale Vragen van de Raad van Kerken, wist Opschoor te vinden om hem te betrekken bij allerhande oecumenische activiteiten op het terrein van economie en milieu en daarbij te profiteren van diens wetenschappelijke inbreng en statuur. De Lange was van 1919, dus een generatie ouder dan Opschoor, en bewoog hem ertoe hem in diverse functies op te volgen. Zo trad Opschoor toe tot de redactie van het blad Wending, tijdschrift voor evangelie, cultuur en samenleving, waarin diepgaande gedachtewisselingen plaatsvonden en dat in veel studiekringen besproken werd. Opschoor volgde De Lange ook op in het curatorium van FEST, de Forschungsstätte der Evangelische Studiengemeinschaft, in Heidelberg, dat na de oorlog de taak kreeg om, geleerd door de ervaringen van het nazisme, de Duitse kerken te helpen bij het doordenken van vragen van wetenschap en samenleving. En Opschoor trad, na het vertrek van De Lange, toe tot het bestuur van Bossey, het oecumenische instituut van de Wereldraad van Kerken voor educatie, verbonden aan de universiteit van Genève, waar in de loop der jaren ook veel Nederlanders oecumenisch geschoold werden. Op deze wijze kon er over en weer geprofiteerd worden van ervaringen en ideeën. Ook raakte Opschoor betrokken bij een project van de Raad van Kerken waarin enkele tientallen natuur- en sociale wetenschappers, economen en theologen uit uiteenlopende organisaties met elkaar nadachten over de toekomstige maatschappijstructuur, als bijdrage aan een project van de afdeling Kerk en Samenleving van de Wereldraad van Kerken. Het betrof een omvangrijk studieproject, ‘Reflecties op de Toekomst’, met onder meer diverse doelgroepenberaden. Dat leidde onder meer tot de bundel Naar de toekomst leven. De verlegenheid en het vooruitzien van een groep onderzoekers (1977); Opschoor schreef daarin over internationale acties in het kader van een Nieuwe Levensstijl.
Duidelijk werd dat voor echte gesprekken tussen wetenschappers van diverse disciplines een vastere vorm, continuïteit en deskundige ondersteuning nodig waren, zoals FEST in Duitsland die had. Dat resulteerde uiteindelijk in de oprichting van het MCKS, Multidisciplinair Centrum voor Kerk en Samenleving, dat in beraden over uiteenlopende thema’s wetenschappers van diverse disciplines samenbracht en daarover publiceerde. Opschoor deed hier volop aan mee. Zoals met de groep die zich boog over wat uiteindelijk ‘De economie van het genoeg’ zou worden, waarover later Goudzwaard en De Lange publiceerden (Genoeg van teveel, genoeg van te weinig). Opschoor bepleitte daarbij vooral een versterking van het denken in structuren, strategie en institutionalisering, omdat hij de benadering van Goudzwaard en De Lange soms ‘te soft’ vond. De herziene drukken van hun boekje die daaraan meer tegemoet kwamen, kon hij daarom beter waarderen. Ook zette het MCKS een Werkgemeenschap van Economen en Theologen (WET) op, waarin bezinning plaatsvond over de relatie tussen geloofsovertuiging en wereldbeeld en over de uitgangspunten van de economische wetenschap; Hans Opschoor werd voorzitter van de Stuurgroep die de beraden hierover organiseerde. Voor de deelnemers waren het waardevolle bijeenkomsten die de gelegenheid boden tot intensieve reflectie.
Nieuwe Levensstijl
Op een beleidsconferentie van de Raad van Kerken in november 1974 gaf de Raad van Kerken het startsein voor een beweging voor een Nieuwe Levensstijl, een (actie)uitwerking van het project ‘Reflecties op de toekomst’, en ook een aansluiting op werk van de Wereldraad van Kerken. Er kwam een (landelijke) werkgroep Nieuwe Levensstijl, waarvan Opschoor de voorzitter werd. Voor de groep ging het niet louter over vragen op micro-niveau (die aan de orde kwamen onder het motto ‘bezitten of bezeten zijn’) maar ook over de wereldwijde milieuproblemen en de kloof tussen arm en rijk. Onderwerpen die aan de orde kwamen (zoals energieverbruik, mobiliteit en de bezwaren tegen het eten van vlees) komen nog steeds (50 jaar later!) akelig bekend voor … Toch kreeg de actie veel aandacht: na twee jaar waren er in Nederland al zo’n 700 groepen die het onderwerp Nieuwe Levensstijl bespraken. Hans Opschoor en zijn vrouw Irene maakten in hun woonplaats ook deel uit van een dergelijke groep: een al langer bestaande gespreksgroep (opgezet vanuit de Leidse Studenten Ecclesia) die onder meer ontwikkelingsprojecten uitkoos en ondersteunde, pakte het onderwerp op en had er intensieve gesprekken over. De groep betekende veel voor de deelnemers en bestaat tot op de dag van vandaag.
Aan het Conciliair Proces droeg Opschoor bij met spreekbeurten, adviezen en het boek Na ons geen zondvloed (1989). En daarmee bleef hij doorgaan. Zo werden Hans en Irene enthousiaste ambassadeurs van de actiegroep Grootouders voor het Klimaat en waren ze regelmatig te vinden langs de snelweg bij acties van XR.
Flair en opgewektheid
Zonder twijfel is met deze opsomming slechts een deel belicht van de vele activiteiten die Hans Opschoor ontplooide in de nationale en internationale oecumene. Regelmatig werd door kerken en ook door de Wereldraad van Kerken een beroep op zijn kennis en ervaring gedaan, en niet tevergeefs. Kenmerkend waren daarbij steeds zijn wetenschappelijke inbreng en onderbouwing, maar ook zijn flair en opgewektheid. Dat laatste ondanks zijn grote somberheid ten aanzien van het resultaat van zijn inspanningen; zijn boek uit 1989 is daar uitgesproken over: belangen en ideologische versluiering zullen leiden tot verdere milieuverwoesting; pas als die belangen zelf geraakt worden, zullen de wissels omgaan. Maar dat verzwakte zijn inzet niet. Hij wist zich onderdeel van de oecumenische traditie die meent ‘dat mensen binnen hun mogelijkheden geroepen zijn om bij te dragen aan het gestalte geven van een maatschappij die toekomst heeft, die recht doet aan zijn eigen leden en aan andere levensvormen in de biosfeer; een maatschappij die waarden als vrede, gerechtigheid en ontwikkeling van de schepping nastreeft’.
Opschoor was zo, met vele anderen van zijn generatie, een goed voorbeeld van hoe actieve en geïnformeerde leken, vanuit hun eigen deskundigheid, zich inzetten in kerk en oecumene, precies wat de oecumenische beweging altijd nastreefde. Opdat het visioen van de bloeiende woestijn als ‘in de werkelijkheid verscholen mogelijkheid’ levend gehouden wordt.
Ons past dankbaarheid voor het vele dat Opschoor gegeven heeft.
Greetje Witte-Rang

