Aangenaam kennis te maken

Vanaf de dertiende eeuw werd de wereld van India en het hindoeïsme in kaart gebracht. En dat niet alleen: reizigers uit Europa stelden zich ook de vraag, hoe die wonderlijke godsdienst beoordeeld moest worden. Die beoordeling was veel positiever dan men gewoonlijk denkt. Hoezeer men ook schrok van vreemde gewoonten (de zelfmoord van de weduwen, b.v.), toch ontdekte men al vroeg wat overeenkwam met eigen geloof. ‘Niemand moet denken dat deze mensen gewoon aan de beesten gelijk zijn en van geen God of godsdienst weten; ter contrarie moeten wij van hen getuigen’, schreef een 17e-eeuwse dominee in dienst van de VOC.
 
Maar het duurde wel een paar eeuwen, voordat men het hindoeïsme met zijn uitgebreide wetsteksten en mythologie werkelijk in kaart had gebracht. Pas in de negentiende eeuw kon voorzichtig een soort ‘dialoog’ met de hindoes ontstaan. En menige missionaris begon zich af te vragen, of men deze mensen nu werkelijk hun religieuze identiteit zou moeten afnemen. Maar wat dat veelsoortige hindoeïsme nu voor al die verschillende bevolkingsgroepen betekent, dàt blijft nog een vraag tot in onze tijd toe.

Foto: Jan Peter Schouten

Het boek is te koop in de boekhandel. Titel: Aangenaam kennis te maken. De ontmoeting van Europeanen met het hindoeïsme in India.

VOORPUBLICATIE

Een vreemde cultuur

Als Marco Polo het vasteland van India beschrijft, komen wij meer te weten over de cultuur en de godsdiensten die hij er heeft waargenomen. In de eerste plaats beschrijft hij de kust van het Tamil-gebied, in die tijd gewoonlijk Maabar genoemd. Hij prijst dit land zeer: ‘Dit is het beste India dat er is’.¹ De koopman is onder de indruk van de producten die hij er aantrof, met name de edelstenen en parels. Uitvoerig beschrijft hij de duikers die de pareloesters naar boven haalden. Hier vermeldt hij ook een opvallend aspect van Indiase religiositeit: bij iedere onderneming huurden de duikers brahmaanse tovenaars (incantatori) in, die met magische middelen de haaien op afstand hielden.

Wat voor godsdienst hadden de bewoners van dit land nu eigenlijk? Marco Polo typeert het met de woorden die hij in zijn beschrijving van talloze noordelijker streken als een refrein heeft herhaald: ‘Deze mensen aanbidden afgoden’ (Questa gente adorano l’idole). Hij bevond zich dus wederom in heidens gebied. Hij specificeert echter wel wat de verering in het land Maabar inhield: de meeste mensen aanbaden er namelijk het rund. Consequentie was dat niemand rundvlees at en al zeker niemand een rund zou willen doden. Direct relativeert hij echter ook weer: slachten was dan onbestaanbaar, maar er was wel een soort mensen die het vlees aten van een rund dat een natuurlijke dood was gestorven. Hij noemt deze mensen gavi. Dit is uiteraard een van de kasten aan de onderkant van de bevolkingspiramide; er is wel gesuggereerd dat het een oude benaming van de ‘paṟaiyar’ (paria’s) is.²

Kennelijk heeft het sterke bewustzijn van rituele reinheid veel indruk gemaakt op de Europese reiziger. Polo vermeldt hoe de bevolking, zowel mannen als vrouwen, zich strikt hield aan de reinheidsregels. Zo baadde men zich twee maal per dag, ’s morgens en ’s avonds, en nooit zou men voedsel of drank tot zich nemen zonder zich gebaad te hebben. Voor de westerse lezers verklaart de schrijver dat wie dit niet deed, als ketter werd beschouwd ‘zoals bij ons de Patarenen’.³

Grote aandacht krijgen de verschillende vormen van suïcide. Allereerst betreft dat de satī, de rituele zelfmoord van de echtgenote na het overlijden van haar man. Door de eeuwen heen hebben Europese reizigers altijd hun fascinatie getoond voor dit opmerkelijke gebruik. Polo beschrijft hoe bij de crematie van een man de echtgenote zich in het vuur wierp teneinde met hem te verbranden. Hij voegt daaraan toe: ‘Vrouwen die dit doen worden zeer geprezen, en veel vrouwen doen het.’ Een minder bekend fenomeen is hieraan verwant. We lezen hoe een misdadiger die ter dood was veroordeeld, kon kiezen om zichzelf te doden als offer aan een bepaalde godheid. Net als bij de satī is het meest opvallende punt dat de dader hiermee grote eer inlegde. Polo besluit dat een dergelijke heilige zelfmoordenaar door zijn verwanten met veel honneurs begraven zou worden.

Religieuze en magische voorstellingen beheersen het gehele leven in dit land. Dat maakt Marco Polo duidelijk door sterk de nadruk te leggen op de rol van schijnbaar onbelangrijke voortekens. Hij beweert zelfs dat nergens ter wereld zo veel waarde werd gehecht aan tekenen die iets over de loop van de gebeurtenissen zouden kunnen verraden. Als men iemand hoorde niezen kon dat al voldoende zijn om een begonnen reis af te breken. Vanzelfsprekend werd dan ook grote waarde gehecht aan wat in de sterren stond geschreven. Zorgvuldig werden bij de geboorte van een kind tijd en plaats van de geboorte en de bijbehorende stand van de sterren genoteerd.

Er zijn echter ook plaatsen waar godsdienst en ritueel in het bijzonder intensief werden beleefd. Polo noemt de kloosters (monasteri d’idole), waar men ook vele kinderen vond, met name meisjes, die door hun ouders aan de tempeldienst waren afgestaan. Hij beschrijft de religieuze feesten waarbij zij de goden het offervoedsel aanboden en de meisjes in het bijzonder ook dansten. Het instituut van de devadāsī’s blijkt in het Tamil-land een lange geschiedenis te hebben.⁴