Leger des Heils

Wie de Raad van Kerken in Nederland een beetje volgt, weet dat het Leger des Heils een van de meest toegewijde en loyale partners is binnen de gemeenschap van kerken. Bij belangrijke activiteiten vaardigt het Leger altijd wel een officier af, in belangrijke werkgroepen ontbreekt het Leger zelden. Het 125-jarig bestaan van het Leger in Nederland is aanleiding voor ons om de geschiedenisboekjes te raadplegen met de vraag of de bronnen voor die toewijding zijn aan te wijzen en de vraag of dat oecumenische engagement al vroeg aanwezig is. De antwoorden op die twee vragen zijn opmerkelijk. De geschiedenis laat zien dat de sympathie naar andere groepen al in de eerste bronnen van het Leger des Heils zijn gegeven; een bevestiging van wat we vermoeden; maar dat andere punt, dat het Leger een vanzelfsprekende plek krijgt in de georganiseerde oecumene blijkt helemaal geen vanzelfsprekendheid te zijn.

Wie een geschiedenisboek opent en iets over het Leger des Heils vindt, komt uit in de negentiende eeuw met analyses over de sociaal-economische omstandigheden die bar en boos zijn voor de onderkant van de samenleving en met de reacties daarop vanuit de methodistische kringen in het Verenigd Koninkrijk. William Booth, die internationaal als de grondlegger van het Leger des Heils geldt, moet in die wereld worden geplaatst.

Al  in 1887 kreeg de beweging in Nederland voet aan de grond. Govaars hield een eerste evangelisatiebijeenkomst op 8 mei in de Pijp in Amsterdam, er waren toespraken, er was muziek, waarbij Govaars de zang met een viool begeleidde. De nieuwe beweging won snel aan aanhang in de Lage Landen. Twee jaar na de stichting zijn er al 31 korpsen in Nederland met 70 officieren[1]

De aanwezige kerken reageerden bepaald niet enthousiast. Er werd eerst lacherig gedaan. De pers schreef neerbuigend over het leger. Was het intellectuele xenofobie, die zich te weer stelt tegen alles wat onbekend is? Was het belangbehartiging van bestaande partijen? Na een bijeenkomst op het Kamperveen braken er in Kampen onlusten uit, deels, zo willen bronnen, aangewakkerd door de kroegbazen die weinig moesten hebben van een beweging die hun broodwinning ter discussie stelde. Maar ook Boele, een plaatselijke sigarenindustrieel, sprak dreigend dat aanhangers van de beweging moesten rekenen op ontslag[2]. Otto de Jong schrijft in zijn kerkgeschiedenis als volgt over die beginperiode van het Leger des Heils: ‘Niet als geloofsgemeenschap naast de kerken, maar als evangelisatiebeweging werkte het ‘leger des heils’ sinds 1887 in Nederland. Aanvankelijk wekten lied, getuigenis, kleding en zondaarsbank de lachlust, maar het onbaatzuchtige werk voor verschoppelingen, dat meer waagde dan enige protestantse kerk, en de eenvoudige straatprediking deden de stemming omslaan’[3].

Ds. W.F.A. Winckler uit ’s Gravenpolder vertaalde al in 1883 een uitgave van mevrouw de gravin De Gasparin, waarin onder meer een uittreksel is opgenomen van de reglementen van het Leger des Heils[4]. Wie de teksten leest met de bril van vandaag komt onder de indruk van de praktische insteek en de tolerante, zij het wat terugtrekkende, houding. In de reglementen wordt ingegaan op het contact met mensen van een andere kerk onder de titel ‘Hoe men ieders inzichten moet te gemoet komen’. De  korpsleden krijgen advies (n.b. in 1883!): ‘Om de predikanten of andere personen, die in dienst der kerk zijn, gunstig voor ons te stemmen, moet men allen nadruk leggen op de omstandigheden, dat wij dielieden aanvallen, die zij niet bereiken kunnen…’. Met andere woorden: het Leger is missionair gericht, maar probeert daardoor de niet-kerkelijken te bereiken en hoeft dus geen bedreiging te zijn voor de bestaande kerkelijke elites. Qua methode adviseert men: ‘Om vrienden te maken, moet gij de eigenaardigheden van de verschillende personen, die gij ontmoet, opmerken….’. Daarna volgt het advies om daarop aan te sluiten in de prediking. Het gaat dus steevast om contextuele theologie, zouden we heden ten dage zeggen. De reglementen hebben ook een advies over wat te doen als er een theologisch dispuut dreigt. Als je andere meningen tegenkomt bijvoorbeeld als het gaat over de prediking door vrouwen, zegt het reglement, geldt een volgende lijn: ‘Tracht uit te vorschen, hoedanig hunne inzichten zijn, en wijs op de punten die wij met hen gemeen hebben’. Als men op verschillen stuit, zo is het advies, ‘tracht deze nooit te rechtvaardigen; vestig liever de aandacht op andere punten….’. En ook geldt: ‘Maar loop zulke lieden nooit na, wij hebben hen niet nodig’.

Mogelijk dat hier een deel van de onbevangenheid te herkennen is, die het Leger in contacten binnen de oecumene vaak aan de dag legt. Men zoekt meer de aansluiting dan de afzondering, men zoekt meer de verbinding dan het verschil.

Het Leger is vanaf het allereerste begin in de negentiende eeuw, toen de gemiddelde Nederlander nog niet dacht over zoiets als vrouwenkiesrecht, al voor gelijkberechtiging van man en vrouw. Direct al aan het begin van de reglementen wordt gezegd dat begrippen in algemene zin worden gebruikt en er geen onderscheid aan de dag wordt gelegd tussen man en vrouw. ‘Daar het leger geenerlei onderscheid maakt tusschen mannen en vrouwen, wat betreft den rang, het gezag en de onderscheiden diensten….’, zo kiest men een insteek om vervolgens iets te zeggen over gehanteerde terminologieën.

Het is juist dit punt wat de adellijke mevrouw De Gasparin in het verkeerde keelgat schiet. Deze schrijfster verzucht aan het einde van haar uitgave dat Jezus bij de wederkomst het Leger zal behandelen zoals Hij destijds deed met de wisselaars in de tempel. ‘Wij denken dat Hij tot de predikende vrouwen zoude zeggen, dat zij Hem in haar huis of in haar kring moeten dienen. Zou men denken dat de Heere Jezus jongedochters zou aangespoord hebben, om zonder maagdelijke schroom zich ten toon te stellen op een platform? Zou men denken dat Hij haar in uniform zenden zou op de boulevards van Parijs om boekjes te verkoopen, zich daarbij blootstellende aan een kruisvuur van galanteriën?’ Haar conclusie is dan ook dat het leger niet ‘op de bodem van de Schrift’ staat en daarom ‘onze sympathie niet’ mag hebben. Het Leger behoort met de keus voor gelijkberechtiging tot de emancipatoire kerken, en het heeft de principiële keus voor gelijkberechtiging ook in de praktijk gehonoreerd. Er zijn drie vrouwen die inmiddels de hoogste rang hebben ingenomen binnen de legerafdelingen: Evangeline Booth was de eerste, daarna Eva Burrows en nu Linda Bond.

Het is opmerkelijk dat de vertegenwoordigers van de leidinggevende groepen – ook binnen de kerken – zo negatief reageren op het sociale en evangelische reveil. Die houding zou je niet verwachten als je met de ogen van nu kijkt, omdat het Leger zelf zich juist allesbehalve concurrerend opstelt op het kerkelijk erf. Een handboek van het Leger uit de dertiger jaren laat zien dat het Leger wel gedachten heeft over de bijbel, over de drieëenheid van God, over de mens, de verlossing, het heil, het geestelijk leven, de heiligmaking en de laatste dingen, maar juist niet over de ecclesiologie en over de sacramenten[5]

Nu de Raad van Kerken dit jaar met een verklaring komt van kerken die elkaars doop erkennen ontbreekt het Leger des Heils bij de ondertekenaars, niet uit desinteresse, maar omdat ze van oudsher zich niet in die thema’s begeven. Zo er al een sacrament is, is dat het sacrament van het leven, zou je kunnen zeggen. Er zijn binnen het Leger wel gewoontes, zoals het aangaan van de belofte als heilssoldaat, maar dat zijn stijlvolle rituelen met de symboliek die bij een leger past; ze zijn niet heilsnoodzakelijk, om het dogmatisch te verwoorden.

De grondlegger William Booth kwam pas in 1895 met duidelijkheid over het sacrament[6]. Hij was toen al jaren actief als evangelist. Hij stelde dat de sacramenten niet noodzakelijk zijn voor je zaligheid. Hij maakte verder duidelijk dat het Leger in ecclesiologische zin geen kerk wilde zijn. En hij tekende verder aan, dat er geen bezwaar was als leden wilden deelnemen aan het avondmaal in een (andere) kerk.

Het ontbreken van die kerkelijke ambities – waar je aanvankelijk een zekere inschikkelijkheid van de kerken zou verwachten door dit uitgangspunt; een inschikkelijkheid die er dus niet was – gaf later aanleiding juist voor andere kerken om het Leger des Heils niet direct met open armen te ontvangen in de oecumenische familie.

In de oorlog wordt het Leger verboden, omdat het een van oorsprong Engelse organisatie is en men banden suggereert met de Joodse gemeenschap. De officieren mogen geen uniform meer dragen en er mogen geen openbare bijeenkomsten zijn[7]. Verschillende kerken sloten zich in de oorlog aaneen. De Hervormde Algemene Synodale Commissie verzocht diverse kerken mee te doen, zoals de Gereformeerde Kerken, het Hersteld Verbond, de twee Lutherse Kerken en de Christelijke Gereformeerde Kerken. Er kwam een Convent van Kerken, dat probeerde om als bevoegd gezag vanuit de kerken een belijdend geluid te laten horen aan de bezetter. Merkwaardig genoeg werd het Leger des Heils niet uitgenodigd[8]. De onderzoeker Ringelberg neemt aan dat het Leger des Heils wellicht niet als volwaardige kerk werd gezien, omdat het geen ecclesiologische stellingnames kent.

Internationaal gezien vond het Leger des Heils sneller aansluiting bij de oecumenische bewegingen, al in 1927 was men gastlid van de Oecumenical Counsil en in 1948 was men bij de oprichters van de Wereldraad van Kerken.

In Nederland ging de discussie echter nog even door. Secretaris W.F. Golterman was betrokken bij de oprichting van de Oecumenische Raad van Kerken in Nederland in 1946. Als kerken deden mee: de Nederlandse Hervormde Kerk, de Remonstrantse Broederschap, de Doopsgezinde Sociëteit, de Evangelisch-Lutherse Kerk, de Hersteld Evangelisch-Lutherse Kerk, de Oud-Katholieke Kerk, de Unie van Baptisten en de Evangelische Broedergemeente[9]. Hij wilde het Leger des Heils wel bij de leden hebben en vroeg daartoe advies aan dr. W.A. Visser ’t Hooft. Deze had evenmin bezwaar, maar adviseerde de lidkerken van de nieuwe Raad zelf ook te vragen. En dat advies was veel terughoudender. Ringelberg schrijft: ‘Deze antwoordden vrijwel eensgezind: lidmaatschap werd niet mogelijk geacht, omdat het leger niet als een kerk beschouwd kon worden, het Leger zou wel gastlid kunnen worden’. De secretaris zou het leger pas uitnodigen in december 1954. Commandant Thykjaer schreef Golterman op28 december 1954 dat hij instemde met het voorstel en kolonel W.F. Palstra werd afgevaardigd naar de Raad.

Blijkbaar waren de verhoudingen onderling goed, want het jaarverslag over 1955 vermeldt: ‘De beide secretarissen vertegenwoordigden de Raad bij de Viering van het tienjarig bestaan van de Verenigde Naties en bij de eerste vertoning van de film over het werk van het leger des Heils’[10]

De Raad van Kerken in Nederland, zoals we die nu kennen, werd opgericht in 1968. Bij de oprichting werd er opnieuw zonder meer vanuit gegaan dat het Leger des Heils geen lid zou zijn, maar gastlid[11]. Ringelberg: ‘Blijkbaar was er bij zowel het Leger als bij de Raad geen behoefte hierin verandering te brengen’. Pas toen het moderamen van de Raad in 1995 een bezoek bracht aan het hoofdkwartier van het Leger des Heils in Almere kwam het thema aan de orde en op13 december 1995 werd het Leger unaniem gekozen als lid van de Raad van Kerken.

De geschiedenis overziend is de verhouding tussen de diverse kerken en het Leger des Heils niet altijd in een vanzelfsprekende goede verstandhouding verlopen. Een crisis in de internationale oecumenische verhoudingen deed zich voor, toen het Leger des Heils in 1981 zich terugtrok als lid uit de Wereldraad van Kerken en het waarnemerschap verkoos als constructie. Aanleiding vormde het politieke opereren van de Wereldraad. Het Leger des Heils wilde politiek zoveel mogelijk vermijden in het kerkelijke spreken[12]. De  directe aanleiding vormde een donatie van de Wereldraad in 1979 van 85.000 dollar aan het patriottisch front in Zimbabwe. Potter, de secretaris-generaal van de Wereldraad, hamerde op de noodzaak om als kerken niet alleen gerechtigheid te prediken, maar ook de structuren te veranderen. De legerleiding meende dat daarmee het risico bestond dat het heil afhankelijk zou worden gemaakt van politieke structuren en niet van de verlossing die Christus aanreikt.

Het Leger onderscheidt zich van diverse andere kerken door een ondogmatisch karakter en een accent op persoonlijk geloof en wedergeboorte. De zondaarsbank is een gevleugeld instrument wat je in kringen van het Leger tegenkomt in de kerkruimte. Ieder korps heeft een zondaarsbank. Daar knielen diegenen neer die berouw hebben over hun zonde in het geloof dat Christus hen de zonden wil vergeven. Ds. Gerrit Lugtigheid, ooit gereformeerd predikant vertelt dat hij in een ziekenhuis lag met op dezelfde kamer een hervormde broeder en een man van het Leger des Heils. De hervormde en de gereformeerde patiënt kregen in de regel op maandagochtend bezoek van hun dominee. Die praatte veel en vriendelijk. Zo van: ‘Hoe gaat het nu met je? Heb je nog pijn?’ Maar ’s maandagsmiddags kreeg de man van het Leger altijd een officier op bezoek. Zodra die binnenkwam rees de leger-patiënt half overeind en riep: ‘Ha kapitein, hoeveel zijn er gisteren naar het zondaarsbankje gegaan?’ En als de kapitein dan zei: ‘Drie’, reageerde de man met een zucht: ‘Loof de Heer’. En volgens Gerrit Logtigheid werd de man daar daadwerkelijk beter van[13]. De man genas zienderogen uit sympathie voor anderen die genezing ontvingen.

Klaas van der Kamp



[1] P.A. de Rover, ‘De Strijdende Kerk’, tweede druk Groningen 1960; deel V, pag. 269 e.v..

[2] P. Wiekeraad, over het Leger des Heils in de ‘Kamper Almanak’. Kampen 1964.

[3] Otto de Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis’. Callenbach Nijkerk, 1978; pag. 363.

[4] W.F.A.Winckler, ‘Uittreksel van de Reglementen en orders van het ‘leger des heils’ bewerkt door de gravin de Gasparin’. Amsterdam, 1883.

[5] Leger des Heils, ‘Handboek der leerstellingen’. Amsterdam 1931. Overigens is er later wel een verdere doordenking gekomen van de ecclesiologie. Recent heeft de generaal van The Salvation Army een ‘ecclesiological statement’ uitgebracht, zie http://www1.salvationarmy.org/ihq/documents/Ecclesiological-Statement.pdf.

[6] Henk Mochel, ‘In de frontlinie’. Kampen 1987 (pag. 73).

[7] Zie canon Leger des Heils, www.125-jaar.nl

[8] Johan Ringelberg, ‘Met de vlag in top’. De geschiedenis van het Leger des Heils in Nederland (1886-1946). Een dissertatie. Almere 2005. Ringelberg geeft de oecumene kort weer in een voetnoot no 488 op pag 213).

[9] Notulen Oecumenische Raad van Kerken in Nederland 1947, jaarverslag van10 mei 1946 tot31 december 1947. De Theologische Bibliotheek van de PTHU heeft nog diverse nummers waaruit blijkt dat het Leger des Heils in de jaren vijftig is gaan meedraaien. Opmerkelijk is de structuur die voor de huidige Raad van Kerken zeer veel verwantschap laat zien. Er zijn speciale commissies voor onder meer jeugdraad, internationale vraagstukken, gemeentecontacten en de omroep IKOR. Sociale zaken speelt ook een rol bijna vanaf het begin. En natuurlijk vluchtelingenwerk. Er is aanvankelijk naast een secretaris van het bestuur ook een studiesecretaris in de persoon van dr. H. van der Linde. Eerst zijn er acht leden, de lutheranen fuseren vervolgens. Daarna gaan de VEG meedoen, dan ook het Leger des Heils en dan de Quakers. In 1968 maakt de Raad een formeel nieuw begin als de Rooms-Katholieke Kerk en de Gereformeerde Kerken deelgenoot worden van het oecumenische proces. De agenda van die eerste raad is wellicht nog meer dan de agenda van de Raad nu organisatorisch van opzet; thema’s als interreligieuze ontmoeting ontbreken nog. Van financiële problemen is geen sprake, er is zelfs een overschot. In die eerste tijd begint ook het aantal plaatselijke raden van kerken al te groeien. Het jaarverslag over 1955 meldt 24 plaatselijke raden, de meeste in Zuid-Holland; het gaat om: Groningen, Leeuwarden, Assen, Zwolle, Deventer, Arnhem, Apeldoorn, Nijmegen, Amersfoort, Utrecht, Zeist, Haarlem, Den Helder, Amsterdam, Velsen-IJmuiden, Schiedam, Den Haag, Leiden, Voorburg, Rotterdam, Gouda, Eindhoven, Oss. Het calvinistische karakter van die eerste raad komt naar voren op het moment dat beschreven wordt hoe in 1955 de oecumenische zondag in december wordt gevierd: ‘Ter gelegenheid van de Oecumenische zondag in december werd een rondschrijven gericht aan de kerkenraden der participerende kerken en werd een plaats met een citaat uit Calvijn’s Institutie aan alle voorgangers toegezonden. Deze werd zeer op prijs gesteld en er werd ook nabesteld. Aan de achterkant was een overdenking over ‘Ik geloof in de gemeenschap der heiligen’ opgenomen’.

[10] Jaarverslag 1955, Oecumenische Raad van Kerken in Nederland.

[11] Ringelberg, ‘Met de vlag in top’. Almere 2005, pag. 213.

[12] Henk Mochel, ‘In de frontlinie’. Kampen, 1987; pag. 101 e.v.

[13] Henk Mochel, ‘In de frontlinie’. Kampen 1987; pag. 35.

Foto’s:
Hedendaagse look vanaf een jubileumtijdschrift
Foto 1887, Govaars links boven
Een begrafenis van een Legerlid in de oorlog, de uniformen zijn ontpersonificeerd
Evangeline Booth