Verschuivingen in oecumene

Het karakter van de raad van kerken is de laatste tien jaar veranderd. Een vraag vanuit de raad van kerken in Ede was deze week aanleiding om de balans op te maken. Klaas van der Kamp, algemeen secretaris van de Raad, bracht de verschuivingen onder woorden bij wijze van een spiegel voor het plaatselijk vlak.

‘Ik zet wat scherper aan in de hoop dat dat het gesprek stimuleert’, zo waarschuwde hij vooraf. ‘Tegelijk spreek ik in bescheidenheid, omdat de verantwoordelijkheid plaatselijk net een kwartslag anders kan liggen dan landelijk. Het is aan u om langs u heen te laten glijden wat disproportioneel wordt benoemd’.

Volgens de algemeen secretaris vloeien veel beoordelingen van de raden van kerken voort uit een verouderd beeld van wat de raad is. Je kunt antwoorden van gisteren niet kopiëren naar het heden. Alleen al de uitdagingen van globalisering, klimaatveranderingen en migratiestromen plaatsen mensen voor mondiale vraagstukken, die alleen mondiaal en samen kunnen worden opgelost. Het laat oude tegenstellingen zoals die tussen Frankrijk en Duitsland en die tussen oost en west in de koude oorlog verbleken tot bijna regionale thema’s.

Perioden

Van der Kamp onderscheidde drie generaties van oecumene in de periode 1968 tot 2018. De eerste periode is die van de theologische pioniers. Mensen als Visser ‘t Hooft en Fiolet leefden in een wereld die besef had van de verschrikkingen van de oorlog. Ze zagen de koude oorlog groeien en spraken een profetisch woord van vrede en verzoening. Een tweede generatie diende zich aan met Willem van der Zee en Ineke Bakker. Het was de periode van de genitieftheologie. Voortrekkers beseften zich dat rijke landen de derde wereld onrecht aandoen. Ze stelden vragen van gerechtigheid, zoals Amos en Johannes de Doper ze in bijbelse tijden onder woorden brachten.

Je zou tegenwoordig kunnen spreken van een derde generatie, van mensen die leven na nine-eleven. De uitdagingen worden gevormd door de interreligieuze ontmoeting en het vermogen woorden te geven aan onderlinge verdraagzaamheid van religies. ‘Met een miljoen moslims om de hoek kan je niet meer doen alsof het onderlinge contact irrelevant is’. Er hebben zich in Nederland grote veranderingen voltrokken. De confessionele verzuiling is verdampt. De secularisatie zette zich door. Missionaire alertheid en bewustzijn van christelijke identiteit zijn in zo’n omgeving even wenselijk als zonnebrandolie op de huid voor een badgast aan de Spaanse Costa.

De raad van kerken in Ede stelde de vraag of er anno 2017 behoefte is aan de georganiseerde oecumene. Het zal niemand verbazen dat de algemeen secretaris stelde dat in het huidige klimaat de oecumene als organisatie meer dan ooit nodig is. ‘Je kan niet van de overheid verwachten dat ze met 650 kerkjes apart gaat praten. Het is voor de kerken: of samenwerken, of verdampen qua gezicht en aanwezigheid’. In de eerste generatie was er het ogenschijnlijk vrijblijvende gebed van de Heer dat christenen één zouden zijn. Tegenwoordig is er een harde werkelijkheid waarbij de meerderheid van de Nederlanders geen boodschap heeft aan de zichzelf versplinterende minderheid van christenen.

Doelgroepen

Van der Kamp legde uit dat de veranderingen een verschuiving impliceren van doelgroepen op wie men zich als raad richt. In de eerste generatie lag de prioriteit als volgt:
1. gemeenteleden / parochianen,
2. Media,
3. Politiek,
4. Kerkleiding.

Het was een periode waarin de raad van kerken zich – om het in taal van bedrijven te formuleren – gedroeg als een business to consumer – organisatie. De raad richtte zich op de afzonderlijke kerkleden. De kerkleden drongen er vervolgens bij de kerkleden op aan de oecumene een veel hogere plaats op de prioriteitenlijst te geven dan men aanvankelijk van plan was. De raad probeerde via de media de politiek te beïnvloeden. De politieke arbeid zelf kon worden overgenomen door de verzuilde infrastructuur. De verhalen in de media vergrootten de druk op kerkleiding en politiek.

De algemeen secretaris schetste anno 2017 een ander palet van prioriteit in doelgroepen:
1. Kerkleiding,
2. Partners,
3. Politiek,
4. Gemeenteleden/parochianen,
5. Media.

De raad van kerken is zich bewust een business to business – organisatie te zijn. De raad brengt kerken bij elkaar en de raad is zelf beschikbaar als een gezamenlijke gesprekspartner voor de kerken, waar dat nodig is. Ze doet dat met partners, die ook kerkelijk actief zijn of bondgenoten die een zelfde doel nastreven. De politiek is nog steeds belangrijk, maar dan vanuit het verlangen het beleid rechtstreeks te beïnvloeden ten dienste van de onderkant van de samenleving en ten dienste van zingeving als heilzaam in het publieke domein. Het contact draagt dus een sterk advocacy-karakter. Men kan de invloed niet meer overlaten aan verdwenen verzuilde organisaties. De kerkleden in directe zin zijn minder doelgroep, zij worden benaderd vanuit de kerken zelf en vanuit de kerkleiding.

Het impliceert volgens Van der Kamp dat men plaatselijk ook steeds weer moet kijken of de plaatselijke kerkleiding wel voldoende in de infrastructuur is opgenomen. Er zijn veel raden van kerken onder de 275 raden in Nederland waar het professionele kader ondervertegenwoordigd is. Van der Kamp noemde het een prioriteit om juist mensen die beroepshalve met de kerk bezig zijn hun verantwoordelijkheid toe te bedelen in de oecumene. Hij pleitte daarbij ook voor een zekere nuchterheid in de agendering. ‘Probeer de agenda zo in te richten dat de professionals profijt hebben van net oecumenische werk en niet met de kater blijven zitten dat men al te veel tijd vermorst’. Een bespreking van een bijbelgedeelte waarover men toch als van plan is een dienst te organiseren, verrijkt het eigen werk. En een gezamenlijk gesprek met de gemeentelijke overheid kan het diaconale werk stroomlijnen. Dergelijke voorbeelden laten zien dat oecumene niet meer tijd kost, maar uiteindelijk de bestede tijd terugverdient.

De media in algemene zin zijn geen prioriteit meer. Van der Kamp stelde vast dat grote landelijke kranten geen ruimte bieden aan zingeving in christelijke zin, hoogstens aan incidenten en scheefgetrokken casuïstiek. Bij de landelijke raad besteedt men de beperkte tijd voor de media vooral aan het lobbyen bij de televisie en het opbouwen van de eigen mediale infrastructuur. Die is met de digitale mogelijkheden inmiddels zo verfijnd en stevig dat men jaarlijks honderdduizenden mensen bereikt met website, eflits en social media. Er zijn veel voordelen als je zelf de berichten onder de achterban kunt verspreiden. De berichten zijn ongefilterd, de timing is in eigen hand en de ervaring wijst uit dat het aantal volgers, vrienden en bezoekers van de eigen media nog steeds stijgt.

Bipolariteit

Van der Kamp noemde enkele spanningsbogen in het werk die altijd zullen blijven. Het is goed dat men zich bewust is van deze bipolariteit. Men hoeft dan niet te proberen een van de polen te elimineren. Het is alleen de kunst om de goede balans te vinden tussen de twee uitersten.
Hij noemde drie van die polen:
1. Heiligheid van de opdracht één te zijn versus pragmatische noodzaak tot samenwerking,
2. Verlangen identiteit te geven aan de eigen gemeenschap versus de noodzaak transitie te stimuleren op grond van de omgevingsvragen,
3. Het verlangen de eigen kerk te stimuleren versus de noodzaak samen te werken als kerken.

Daarnaast noemde Van der Kamp drie stations waarin de kerken duidelijk voor een pool kiezen en bewust een vaak genoemde antipool afwijzen:
1. Het gaat de kerken uiteindelijk niet om de vorm, maar om de inhoud,
2. Het gaat de kerken uiteindelijk niet om de regel, maar om de mens,
3. De kerken wijzen principieel het dienen van mammon af en de liberaliteit en kiezen voor vormen van Godsbesef.

Van der Kamp noemde vijf stellingen voor plaatselijk vlak. Vooral de eerste twee werden in Ede bediscussieerd:
Stelling 1: De grens van de Raad van kerken spoort met de grens van de burgerlijke overheid
Stelling 2: Identiteit is relationeel, dus je werkt met zoveel mogelijk partners
Stelling 3: je hebt programma’s (convenant) nodig voor het structuren van vertrouwdheid.
Stelling 4: De professionals moeten een zichtbare plek hebben in de onderlinge samenwerking.
Stelling 5: Zichtbaarheid voor de burger is aardig, een adequaat netwerk is van levensbelang.

Anekdotes

De inleider vertelde tot slot een anekdote bedoeld om enige lichtvoetigheid aan het werk te blijven geven en de relativering ruimte te bieden. Hij verhaalde hoe hij na de landelijke viering waarin hij de overdenking deed de Joriskerk verliet en overal op straat werd gegroet. Mensen herkenden hem, als één van de mensen uit de viering op televisie. Toen er vanuit een kroeg een gegrom klonk ‘Hé, een bekend gezicht’ , ging van der Kamp naar binnen. ‘Nu wil ik het weten ook’, dacht hij en hij vroeg: ‘U hebt de viering voor de slachtoffers van MH 17 gezien? Was het gepast?’ ‘Oh zeker, heel stijlvol, in zijn soort zeer aansprekend’, reageerde men. En omdat de algemeen secretaris de meditatie had verzorgd, vroeg hij verder: ‘En wat vond u van de overdenking?’ En het onthutsende antwoord klonk: ‘Oh, dat weten we niet, we hebben het geluid weggedraaid’.

Robert Paul Fennema van het Leger des Heils reageerde in de pauze. Hij had een soortgelijke ervaring toen hij een jaar of zes als directeur van een kledingonderdeel van het Leger dagelijks van Harderwijk naar Oosterhout in Brabant moest. Hij ging expres heel vroeg van huis om voor de file in Oosterhout te zijn. Hij was er altijd als eerste en deed dagelijks de deur open voor een schoonmaakster, die verder niet vertrouwd was met het Leger en alleen een man in uniform zag. Ze wist niet van rang of stand, noch van directietaken. Toen ooit Fennema een gesprek hoorde van de vrouw met een ander en de schoonmaakster de vraag kreeg of ze een eigen sleutel van het gebouw had, zei ze: ‘Nee, die heb ik niet, maar dat hoeft ook niet, want die meneer van de bewaking doet iedere ochtend de deur voor me open’.

Foto’s:
1. Robert Paul Fennema
2. Een aquarel, zoals te zien in de vergaderruimte van de raad van kerken in Ede, dit keer was men te gast bij de lutherse kerk; men is daar gewoon om werk van eigen leden afwisselend in de vergaderlocatie te hangen; Marijke Badlaender maakte deze ‘avondvierdaagse’
3. In de lutherse kerk is een originele lessenaar, met een ichthusvis die niet van links naar rechts zwemt, maar net andersom (symbool van de tegendraadsheid in het geloof, aldus een lutheraan) en opgebouwd uit drie metalen lijn, symbool van de triniteit