PDF PDF Print

teksten bij de lezingen uit het Gemeenschappelijk Leesrooster

door Roel Bosch

 

De eerste cyclus teksten voor A-, B- en C-jaar vond u in de vorige drie jaargangen van 'De Eerste Dag'. Ze zjin eveneens verschenen in boekvorm, met illustraties van Annemarie van Ulden, onder de titel 'De kleur van God', Boekencentrum.

18 april, 3e van Pasen

Jeremia 32,36-41
Psalm 33,1-11 (Ps. 30)
Openbaring 5,6-14
Lucas 24,35-48

Openbaring 5,6: de zeven geesten van God die over de hele wereld zijn uitgestuurd.

Hoe kan dat toch, geloven: God is overal?
Hij stuurt, om her en der te zijn,
de zeven geesten voor zich uit op weg,
de leerlingen erachteraan, een wereld over.
Elk schepsel, alles wat er is, boven of onder land,
zal zo de zegen van zijn Zoon ervaren.
Is dat wat simpel en naïef gezegd?
Of helpt het mij geloven in die wind, die geest,
die mensen op hun sterkste plek kan raken,
en toont: je zwakheid is je kracht?

25 april, 4e van Pasen

Numeri 27,12-23
Psalm 100
Openbaring 7,9-17
Johannes 10,22-30

Openbaring 7,17: Want het lam zal hen hoeden.

De beste herder is ooit schaap geweest.
Weet van verdreven zijn, verdwaald, gepest.
Miste de waterbron, of vond de grond vertrapt,
het water modder, alle gras verzengd.
Het lam dat nu de herder is kent ieder schaap,
deelt alles wat Hij heeft met hen,
zijn leven, al zijn onschuld.
Hun tranen ziet Hij en Hij wast ze weg.
U, herder, lam - hoed me en wees mijn bron.

2 mei, 5e van Pasen

Deuteronomium 6,1-9
Psalm 145,1-12
Openbaring 19,1-9
Johannes 13,31-35

Openbaring 19,8: Zij mag zich kleden in zuiver, stralend linnen. Want dit linnen staat voor al het goede dat gedaan is door de heiligen.

Niets is er hier dat niet een deuk opliep.
Al zuchtend gaan ze voort, de kerken,
gelovigen weten maar half of het wel goed is zo,
is wat ze doen wel echt?
Maar als Johannes schouwt in dat wat telt voor God
ziet hij het stralend wit van de verheerlijking,
en zoveel schoons en moois dat hem verrast.
God, help me zien, U, blij om alle goeds.

9 mei, 6e van Pasen

Joël 2,21-27
Psalm 67
Openbaring 21,10-12.22-27
Johannes 14,23-29

Openbaring 21,25: De poorten zullen overdag nooit gesloten worden, en nacht zal het er niet meer zijn.

Een stad met poorten, en die nooit meer dicht?
Dat zijn de poorten met de hoofden hoog,
de wijde boog waardoor de koning binnenkomt,
nu, steeds opnieuw, bij dag en nacht is hij er welkom.
Dan is er ook geen nacht meer nodig,
niemand zoekt nog een plek om weg te kruipen,
geen mens is grimmig onderweg,
moet stilgezet door muren, tralies, hout.
God, open mij de poort naar deze droom van leven.

13 mei, 40e Paasdag, Hemelvaart van de Heer

2 Koningen 2,1-15
Psalm 47
Hebreeën 9,24-28
Lucas 24,49-53

Hebreeën 9,24: Christus is binnengegaan … in de hemel zelf, waar Hij nu bij God voor ons pleit.

Als God een rechter is, een God die weet wat hoort,
is Christus advocaat, Hij weet wat is,
wat mensen doen, waarom, en wat er achterzit,
hun falen, feilen, mislopen, verduistering.
Is dat een beeld dat niet meer opgaat, nu,
is God niet veel meer bron,
licht van ons leven, horizon?
Wat doet Hij daar dan, hemelvarend, Zoon?
Of is het nu juist dat,
dat Hij God als de bron doet kennen,
door al ons oordeel heen?
Heer, pleit voor mij!

16 mei, 7e van Pasen

1 Samuël 12,19b-24
Ps 31,1-9 (Ps 97)
Openbaring 22,12-21
Johannes 14,15-21

Openbaring 22,20: 'Ja, ik kom spoedig!' Amen. Kom, Heer Jezus!

Een afscheid. Weggaan, en een laatste kus.
Een groet, verzekering dat dit het eind niet is.
De mens die gaat is, blijft, present,
elk 'amen' brengt zijn tegenwoordigheid teweeg,
roept beelden op, van hoe het was, en hoe het worden zal.
Kom!, roept de wachtende, - en daarmee komt ze zelf,
en gaat ze, onderweg naar hem die haar vooruitsnelde.
God, laat mijn 'amen' klinken als een lied van liefde.

23 mei, 50e Paasdag, Pinksteren

Joël 2,28-32/3,1-5
Psalm 104,25-35
Handelingen 2,1-11
Johannes 20,19-23

Joël 3,1: Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft.

'Uitgieten' klinkt als water op een dorstig land,
als goede woorden in een smachtend hart,
als handen die met tederheid, zacht, raken,
als ogen die me dwingen op te staan,
me op te richten naar wat leven geeft en licht.
Gods geest vernieuwt wat oud was, toekomstloos.
God, schenk uw aarde geest, stromend, vol levenslust,
een toekomst voor de dorre grond van ons bestaan.

30 mei, Trinitatis, Drie-eenheid

Spr 8,22-31
Ps 29
Joh 3,1-16

Psalm 29,9 'Majesteit!', roept heel zijn paleis

Hoe groot is het paleis van God?
Heeft het ook muren en een dak?
kent het een eind of is het onbegrensd?
Daar waar Gods lof weerklinkt is zijn paleis,
waar klein begin van leven overeind gaat staan,
waar bergen jong zijn, springen als een hert,
waar nietsmeer aan zichzelf genoeg wil hebben,
daar woont de Levende.
Hij, aan zichzelf genoeg, zoekt naar een ander.

6 juni, 1e na Trinitatis

1 Kon 17,17-24
Ps 30
Luc 7,11-17

Lucas 7,14: Hij kwam dichterbij, raakte de lijkbaar aan.

Als hij de stad wil binnengaan,
dan zet de dood hem stil.
Hij wordt geraakt door haar die lijdt,
door al die mensen, mét haar op haar tocht.
Het komt dichtbij, de dood, de dode.
Nu raakt hijzelf dat aan
wat onaantastbaar lijkt,
een lijk, de baar, onrein, in strijd met leven.
Zijn leven strijdt met dood.
Is hier niet een profeet, het woord van God?
God, help me raken aan wat moeite kost, wat lijdt.

13 juni, 2e na Trinitatis

Hoogl 4,16-5,8
Ps 100
Luc 7,36-8,3

Lucas 7,39: Als hij een profeet was, zou hij weten wie de vrouw is die hem aanraakt, dat ze een zondares is.

Hoe ongemakkelijk, zo dichtbij
en ongevraagd intiem,
hoe ongepast, een vreemde die
zich opdringt op een feest.
Hoe passend, dat juist deze rabbi,
zo ongevraagd verschenen op ons feest,
gezelschap krijgt van wie geminacht
in de marge vegeteert.
U, God, zo vreemd in mijn bestaan,
help me de kruik te vinden die ik met u delen kan.

20 juni, 1e van de zomer

Jes 65,1-9
Ps 89,1-9
Luc 8,26-39

Lucas 8,35 ... gekleed en bij zijn volle verstand.

Een dwaas verraadt zichzelf door naaktheid.
Zo, niet omhuld door kleren loopt hij rond,
zegt wat hij denkt, denkt wat hij zegt.
Ontlopen lukt je best, je ziet hem al van ver.
Maar nu, gekleed, vermomd, als een van ons,
stelt hij aan ons een vraag. 'Wie is hij toch?'
Is deze hier de nieuwe Adam die
de naakte waarheid voorhoudt,
ons onthult, weet wie we zijn? Vermomde dwaas?

27 juni, 2e van de zomer

1 Kon 19,19-21
Ps 16
Luc 9,51-62

1 Koningen 19,20: Daarna ging hij met Elia mee als zijn knecht.

De hereboer wordt knecht.
Laat achter wat hij heeft,
zelfs wie hij is, zijn ossen en zijn ploeg,
de band met thuis verteerd.
Zo gaat hij verder, zonder geslacht en naam,
bekleed met Gods profetenmantel.
Hij ziet niet achterom maar lhij leeft nu
als ploeger op Gods veld.
God, help me om uw land, uw ploeg te vinden.

4 juli, 3e van de zomer

Jes 66,10-14
Ps 66,1-12
Luc 10,1-20

Lucas 10,18: Ik heb satan als een lichtflits uit de hemel zien vallen.

Lang staren, turen en studeren
voert vaak in cirkels rond.
De waarheid openbaart zich in een flits.
Alleen: hoe overtuig je anderen van wat je zag?
Wie wil geloven dat de toekomst is
aan wie zich toevertrouwt aan God
loopt kans het licht te zien.
Wie zit daarop te wachten?
God, flits, voorbij gegaan,
help me uw energie te aarden.

11 juli, 4e van de zomer

Deut 30,9-14
Ps 25,1-10
Luc 10,(21)25-37

Deuteronomium 30,14: U kunt ze in u opnemen en ze u eigen maken.

De woorden die de Levende aan mensen geeft
verlaten hun papier, hun stenen tafel
en zoeken naar een mond die hen wil opeten,
wil inslikken en maken tot een bron van kracht,
van energie die mededeelzaam maakt.
De woorden van de Heer zoeken een hart
dat klopt en meebeweegt met anderen.
Begraaf zo, God, uw hoogste, grootste, diepste woord
in wie ik ben, zodat het op kan staan.

18 juli, 5e van de zomer

1 Sam 1,1-20
Ps 15
Luc 10,38-42

Lucas 10,41 'Je bent zo bezorgd en maakt je veel te druk.'

Haast ongemerkt loopt hier de spanning op.
Steeds weer wat strakker komt de riem te staan,
en zelfs een klein geluid doet alle snaren trillen.
Zo gaat het mannen, vrouwen, alle eeuwen door,
de Hanna's en de Martha's, en ze hebben goede grond.
Wat zij verduren moeten kent geen maat.
Tenzij dan toch de maat van het gebed,
tenzij de machteloze nutteloze bede,
het open hart, de open handen, en de lege blik -
God, vul mijn handen met uw lege tijd,
vul mijn verwachting met de vrucht, de Geest.

25 juli, 6e van de zomer

Gen 18,20-33
Ps 138
Luc 11,1-13

Lucas 11,13: ...hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie hem erom vragen.

Een lesje in gebed is snel geleerd;
traditie reikt een serie goede woorden,
beknopt en levend tegelijk. Een mooi begin.
Maar dat is niet genoeg, zo blijkt.
Uiteindelijk draait alles om de geest van God,
die meer zou kunnen zijn dan brood, vergeving,
die alles overspant en koninkrijken maakt
tot oefenplaatsen van Gods heil.
God, leer me bidden. 

1 aug, 7e van de zomer

Pr 2,1-11
Ps 49,1-13
Luc 12,13-21

Lucas 12,17: Wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte ...

Voor elke oplossing is een probleem.
Een overvloed aan gaven
schept een groot tekort aan ruimte,
aan vermogen van zich af te zien,
te zien waar rijkdom in de grond verborgen ligt,
een leven met en voor de ander,
met, voor God.
God, u de schat, schenk ruimte, help me zien.

8 augustus, 8e van de zomer

Jes 65,17-25
Ps 33,12-22
Luc 12,32-40

Lucas 12,38: Hij zal zijn gordel omdoen, ...

Een lange reis gehad, laat thuis
en dan, diep in de nacht, de mouwen opgestroopt,
vol aan de bak uit dankbaarheid
voor wie het huis bewaakte?
U kunt wel overdrijven, Heer,
met dit scenario houdt niemand rekening.
Als alles op zijn kop staat
bent u daar, en dient.
U komt op tijd. Help ons te dienen.

15 aug, 9e van de zomer

Jer 23,23-29
Ps 82
Luc 12,49-56

Jeremia 23,29: Is mijn woord niet als een vuur?

Uw woord is een lamp voor mijn voet
en een licht op mijn pad -
of is het een vuur dat verbrandt en verteert,
dat slechts as achterlaat en ruïnes,
en mensen berooft van hun dak?
En blijf ik dan staan, ontredderd,
met niets dan de kleren om het lijf?
Wanneer vuur mijn leven bedreigt, God,
en mijn eigen woord is verstomd,
doop me dan in uw liefde,
met als vuur de gloed van uw Geest.

22 aug, 10e van de zomer

Jes 30,15-21
Ps 112
Luc 13,22-30

Jesaja 30,21: Hij die jullie onderricht gaf zal zich niet langer verbergen.

Hij gaf zijn onderricht, trok door het land,
maar toen ze vroegen naar behoud
sloeg hij de deur hard toe.
Kende hen niet. Verweet hen onrecht, leugen.
Wie onderricht wil zijn vraagt niet om heil,
maar zoekt de weg waarlangs behoud ontluikt,
vraagt, speurt, studeert en tracht.
Dan gaat de deur weer open, onverwacht.
God, help me leven, zonder hoop op winst.

29 aug,11e van de zomer

Deut 24,17-22
Ps 113
Luc 14,1.7-14

Deuteronomium 24,20: En wanneer u bij de olijvenoogst tegen de takken slaat, mag u achteraf niet nagaan of u wel alles hebt.

'Je steelt je eigen geld als je één vrucht niet plukt' -
of steel je van de armen als je hen niets laat,
of steel je van jezelf als je de laatste krent
nog uit de pap wilt vissen,
gestresst om wat je kan ontgaan blijft rekenen?
En gééf je aan jezelf als je een ander gunt
 te delen in je oogst, en naast je aan te schuiven
aan tafel bij die Heer die zich liet oogsten?
God, geef me zo naast uw olijf te staan,
ontvankelijk voor wat er valt.

5 september, twaalfde zondag van de zomer

Deuteronomium 30,15-20

Psalm 1
Lucas 14,25-33

Lucas 14,30 … maar het karwei afmaken kon hij niet

Wie niet begint maakt nooit iets af,
en niet geschoten altijd mis -
maar dit is anders, hier gaat het om meer.
Gaan op de tocht met hem is geen gezelschapspel,
geen tijdverdrijf of dagvulling.
Het is een albepalend levenspad,
voortdurend lettend op wat vrede dient,
wat zegen met zich meebrengt en wat vloek.
God, zegen mij, en houd mij op uw pad.

12 september, dertiende zondag van de zomer

Exodus 32,7-14
Psalm 51
Lucas 15,1-10

Exodus 32,10 Houd mij niet tegen; mijn brandende toorn zal hen verteren.

God geeft het op. Die vele brave schapen,
de grote massa kiest het slechte pad.
Hij gaat voor één alleen,
de Mozes die hij koos, de rest zoekt het maar uit.
Totdat die ene omkeert en de grote rest benoemt,
al net als hij de zwervers die niet leven kunnen zonder God.
God geeft niet op. Hij dankt de mens
die instaat voor de ander.
God, houd ons vast, verzworven in fatsoen of onfatsoen.
En lach om ons.

19 september, eerste zondag van de herfst

Amos 8,4-7
Psalm 138
Lucas 16,1-(8)17

Amos 8,4 … jullie die uit zijn op de ondergang van de machtelozen van het land...

Hoe kan een mens die machteloos is
nóg verder ondergaan, nog machtelozer worden?
Waarom moet dat, wie is daar toch op uit?
Is in de machteloze steeds de aanklacht hoorbaar,
stoort hij, stoort zij de waan van wie in weelde leeft?
En kan ik daar niet tegen, met mijn beetje macht,
keer ik hem liefst de rug toe, zwijg hem dood,
laat hem tot stof vergaan?
God, u die hoort wie stemloos is, die macht schenkt aan de armste,
breek boze beelden stuk, dat mensen mensen zien.

26 september, tweede zondag van de herfst

Amos 6,1-10
Psalm 146
Lucas 16,19-31

Amos 6,5 .. en jullie denken te spelen als David zelf.

Psalmzingen is geen panacee.
Goed cither kunnen spelen of gitaar,
gevoelig zingen van Gods trouw en troost
helpt niet wanneer de arme Lazarus niet mee mag doen.
De honden die zijn wonden likken lijken engelen,
als je ze ziet naast deze musicerende elite.
God, uw profeet maakt ons wél ongemakkelijk.
Durf ik nog wel te zingen, in mijn kerk, mijn huis?
Kan ik mijn eigen lied nog horen?

3 oktober, derde zondag van de herfst

Habakuk 3,1-3.16-19
Psalm 37,1-11
Lucas 17,1-10

Habakuk 3,16: Mijn botten werden aangevreten,
ik stond te trillen op mijn benen.

Tot in zijn botten voelt hij het,
hij beeft van binnen, voelt zich slap als was,
hij wacht op wat er komen gaat,
hoe houdt hij dat nog vol?
Heeft hij geloof genoeg,
vertrouwen op een God die redt?
Of doet hij maar, gewoon, zijn plicht,
veegt hij zijn krachten bij elkaar
en gaat hij aan het werk,
totdat hij van zijn heer te horen krijgt
dat het wel goed is zo?
Hoort hij nog wat van U?

10 oktober, vierde zondag van de herfst

2 Koningen 17,(5-7)24,29-34
Psalm 113 (Psalm 111)
Lucas 17,11-19

2 Koningen 17,33: Ze vereerden dus wel de HEER, maar dienden ook hun eigen goden zoals ze in hun land van herkomst gewoon waren geweest.

Een beetje dit, een beetje dat,
de autochtone godheid krijgt zijn deel,
daarnaast gaan we naar oude zeden voort.
Het mag wat kosten, dubbel goedgelovig zijn,
wie weet geeft het een goede opbrengst straks,
van oogst, van handel of van levensvreugd,
misschien zelfs eeuwig leven.
Zo zal het altijd gaan, tot het moment waarop
die ene mens van God je in de ogen ziet en stil laat staan.
Zo zal het altijd gaan, totdat je merkt
dat alle vlekken, zweren van je levensloop
geraakt worden door Gods barmhartigheid.
Als hij zo is – God uit één stuk -, dan leef je met hem mee.

17 oktober, vijfde zondag van de herfst

Genesis 32,22-31
Psalm 121
Lucas 18,1-8

Genesis 32,27: ‘Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.’

Wie door de beek wil trekken als het donker is,
wie door het donker wil als hij een vijand vreest,
die kan niet zonder eigenwijze stevigheid,
standvastig moet hij zijn, vasthoudend,
zelfs als hij nog niet weet met wie hij vecht.
Wie door de wereld gaan wil als het donker is
kan beter blijven bidden, laat haar God niet los,
ze blijft op zoek naar zegen, naar een arm
die steunen wil, desnoods vechtenderwijs.
God, houd me vast, juist als het donker is.

24 oktober, zesde zondag van de herfst

Jeremia 14,7-10.19-22
Psalm 84
Lucas 18,9-14

Lucas 18,9: … sommigen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten...

Wat vind ik van mezelf?
Weet ik dat wel, kan ik dat formuleren?
Of is het ergens in mijn hoofd, mijn buik,
een onbestemde brei van zwevende gedachten?
En móet dat dan, dat ik dat allemaal leer onderscheiden?
Of is het ruim voldoende als in mijn gedrag
de ander op zijn plek komt, en ik zonder oordeel
de ruimte laat voor wie mijn naaste is?
Is er dan voor mij zelf ook plaats,
bij u, mijn God?

31 oktober, zevende zondag van de herfst

Genesis 12,1-8
Psalm 32
Lucas 19,1-10

Lucas 19,8: Maar Zacheüs was gaan staan.

Nu niet meer in de boom. Niet achter de tafel,
niets meer met geld, papieren, rekenen,
maar rechtop, klein of groot maakt niet meer uit,
staan voor de keuze die hij maakt.
Rechtop. En als het oordeel komt,
en mensen murmureren, omdat nog altijd alles beter kan,
of anders moet, of eerlijker, of echter,
ook dan nog staat hij daar.
Zo lijkt hij op de Heer die bij hem intrek neemt.
Zo, opgestaan, groot mens, zo wil ik zijn,
zo waarlijk helpe mij de God
die tot in bomen zoekt.

7 november, achtste zondag van de herfst

Jesaja 1,18-26
Psalm 17
Lucas 19,41-48

Jesaja 1,23 Ik zal mij tegen je keren, al je vuil verwijder Ik.

Het zilver zwart, de wijn verwaterd,
voor zwakken is geen toevlucht meer.
Keert God zich af, ze zoeken het maar uit?
Of is God in die tegendraadse stroom,
die tegenweer, die lastig is en zeurt,
die tiert en alles anders wil?
Is hij waar vuil verwijderd wordt,
de klare wijn weer stroomt,
waar récht kan staan wie tot vandaag gebogen ging?
God, waar bent u, en waar moet ik gaan staan?

14 november, negende zondag van de herfst

Exodus 3,1-15
Psalm 98
Lucas 20,27-38

Lucas 20,33 Wiens vrouw is ze dan?

Daar, aan de overkant van de woestijn,
waar niemand nog bezit heeft,
alles te geef, de braamstruik brandt en toch nooit dor,
daar is de grond van heilig goud,
daar klinkt een stem die niet te raden valt,
en wie roept wie, wie is dan nog van iemand?
Geen man, geen vrouw, geen kind, niemand wordt meer geclaimd,
Geen mens bukt zich, of buigt, en ieder mag er staan, en zijn.
Maar wie voelt zich daar thuis, zo engelachtig naakt?

21 november, tiende zondag van de herfst

Maleachi 4,1-6
Psalm 46
Openbaring 3,7b-12
Lucas 21,5-19

Lucas 21,8 Volg hen niet!

Een vloed van meningen, opinies,
van gedachten sleept mensen mee,
een stroom die niemand stuit.
Totdat het tij verloopt en stil valt,
en alles weer opnieuw begint,
maar nu gericht op nog een ander doel.
Blijf staan, zegt hij. Volg niet de commentaren,
de ik-verhalen en de volksverlakkerij
van wie in naam van God of volk of eigen ik
de ondergang van hemel en van aarde
zegt af te kunnen wenden. Nee, blijf staan,
en blijf mij trouw, standvastig tot het ware eind,
de wereld waar voor ieder woning is,
Gods tent bij mensen.

Raad van Kerken in Nederland | Koningin Wilhelminalaan 5 | 3818 HN AMERSFOORT | 033-4633844 | rvk@raadvankerken.nl

Site design & techniek: SyncCMS