Kleine theologie van de uitnodiging (Stefan Paas)

Op verzoek van het kernteam van Kerkproeverij hield prof. dr. Stefan Paas (VU / Theologische Universiteit Kampen) een inleiding op 6 april 2018 tijdens een inspiratiedag over 'Uitnodigend kerk-zijn'. Noem het een kleine theologie van de uitnodiging. Hij onderscheidde drie punten in zijn bijdrage: 'Getuigen, gastvrijheid en de Geest'. Hieronder de tekst uitgesproken bij de KRO-NCRV-studio in Hilversum. 

Het Evangelie naar Johannes begint met een aardig verhaaltje over een uitnodiging. Jezus is bezig met het uitkiezen van zijn leerlingen, degenen die hem de komende tijd zullen volgen. Eén van die leerlingen is Filippus, uit Betsaïda. Er staat dat Jezus hem ‘vond’ toen hij op weg was naar Galilea. Hij nodigde hem uit: ‘Volg mij’. En dat deed Filippus. Maar dat niet alleen. Hij ging op zoek naar zijn goede vriend Natanaël, om die ook uit te nodigen. Hij ziet Natanaël onder een boom zitten, en zegt: ‘Wij hebben hem gevonden’. Dat was niet helemaal juist, want één vers daarvoor staat dat het precies andersom was: Jezus had Filippus gevonden. Maar Filippus is nog niet uitgesproken: ‘Wij hebben hem gevonden over wie Mozes en de profeten geschreven hebben: Jezus, de zoon van Jozef uit Nazaret’. De zoon van Jozef uit Nazaret. Dat klinkt theologisch ook niet helemaal in orde, toch? Johannes heeft net uitgebreid beschreven hoe het Woord dat ‘bij God’ was en dat zelfs ‘God’ was, de ‘eniggeborene van de Vader’ mens geworden was. En die Vader, dat was niet Jozef. En wat Nazaret betreft… laten we dat half goed rekenen. Filippus nodigt Natanaël uit. Hij doet dan in drie zinnen, en van de drie dingen die hij zegt, zijn er tweeëneenhalf fout. Maar Natanaël gaat mee en komt bij Jezus, en dan gaat de Geest er verder mee.

Er is mij gevraagd om voor deze dag een ‘kleine theologie van de uitnodiging’ te presenteren. ‘Klein’ vat ik maar even op als ‘niet te lang praten, a.u.b.’. Maar als het over ‘uitnodiging’ gaat, denk ik altijd aan dit verhaaltje over Filippus en Natanaël. Je kunt het allemaal heel moeilijk maken, maar dat is toch de kern: getuigenis. En een ‘getuigenis’ is wat anders dan een gelikt promo-praatje, of voor één keer per jaar net doen alsof je heus een heel hippe kerk bent. Het is ook niet een antwoord hebben op alle vragen. Het is veel simpeler: gewoon vertellen wat je weet, of denkt te weten – ook al klopt er niet veel van, zoals bij Filippus. Dat is een getuigenis: vertellen wat je weet en wat je gelooft; niet wat je niet weet of niet kunt geloven. Filippus vertelt enthousiast dat hij Jezus heeft ontmoet en hij zegt: ‘Kom kijken!’. Getuigenissen zijn kwetsbaar; je prikt er vaak zo doorheen. Ze zijn meestal ook subjectief. Maar ze komen van binnenuit. Ik denk dat kerkproeverij daar begint: ‘proef’ je dat iemand die je uitnodigt er echt wat mee heeft, dat hij of zij echt iets van waarde heeft gevonden in de kerk?

Een paar hoofdstukken verder in Johannes ziet Jezus dat veel van zijn leerlingen weer weglopen. Ze vinden het allemaal te moeilijk, te saai, te veeleisend. Dan draait hij zich om naar zijn overgebleven leerlingen, en hij nodigt hen uit: ‘Willen jullie ook niet weggaan?’. Volgens mij is dat een heel belangrijke vraag in de theologie van de uitnodiging. Iedereen die geregeld in de kerk zit, moet die vraag af en toe eens horen. En als dominee moet je hem af en toe eens durven stellen: ‘Willen jullie ook niet vertrekken?’. In het antwoord op die vraag zit ergens ook het antwoord of die hele kerkproeverij de moeite waard is, of dat het alleen maar gaat om een reclamecampagne voor iets wat zichzelf heeft overleefd. ‘Waar moeten we heengaan, Heer?’, zeggen de leerlingen. ‘U hebt de woorden van het eeuwige leven’.

In het hart van de uitnodiging zit kwetsbaarheid, zeker in deze postchristelijke cultuur. We gaan niet naar mensen toe vanuit een superieure houding. We weten best dat je dat verhaal van het christendom zo kunt slopen. Maar, en daar zit de weerbarstigheid, we weten dat alle zingevende verhalen zomaar gesloopt worden. Het is altijd gemakkelijker iets kapot te maken dan iets op te bouwen. Maar uiteindelijk moet je wel iets hebben waarmee je kunt leven en sterven. Heer, we kennen geen beter verhaal dan dat van u.

Op die manier ontstaan in het dagelijks leven gesprekken, zo af en toe, in stukken en brokken. Vaak naar aanleiding van een bijzondere gebeurtenis: een geboorte, een doop, een overlijden, een verjaardag, een mooie vakantie, een jubileum. Iets waardoor zomaar een stukje van het verhaal wordt gedeeld: je vertelt wat je dankbaar stemt en wat dit voor je betekent, je deelt iets van je redenen om je kind te laten dopen, je vrienden en collega’s maken je trouwdienst mee en zeggen: ‘Nou, dat viel me toch alles mee; eigenlijk best mooi als je zo samen kunt beginnen. Misschien moeten wij toch ook maar in de kerk trouwen’.

Dus dat is het eerste wat ik ervan wil zeggen: uitnodiging is altijd getuigen. Dat geldt volgens mij trouwens niet alleen bij de kerk, het geldt bij alles. Ook bij de muziekschool en de voetbalclub; het gaat uiteindelijk niet om de ledenlijst of om de begroting, het gaat om het verhaal dat hier verteld wordt, de bezieling die wordt overgedragen.

Getuigen is één hoeksteen van zo’n kleine theologie van de uitnodiging. De andere is gastvrijheid. Als ik hier weer met een bijbelse observatie mag beginnen: het valt me op hoezeer de apostel Paulus verwacht, het vanzelfsprekend vindt, dat de gemeente gastvrij is. In 1 Korintiërs 14 bespreekt hij de gaven van de Geest, vooral profetie en het spreken in tongen. Hij houdt dan een heel betoog waarom je beter kunt profeteren (in dit verband: begrijpelijk spreken, met je verstand spreken) dan in tongen (onbegrijpelijk, ‘in de Geest’ spreken). En de belangrijkste reden die hij noemt, is de ‘buitenstaander’. Paulus noemt hem een ‘idioot’, maar dat is Grieks voor ‘onwetende’. Hij zegt: als jullie bidden en zingen in tongen (onbegrijpelijke taal), hoe kan dan iemand die onwetend is daar ‘amen’ op zeggen? En even verderop heeft hij het zelfs over ‘ongelovigen’. Hij zegt: het doel is toch dat iedereen in de gemeente profeteert, zodat een ongelovige erkent dat God in jullie midden is.

Wat me opvalt, hier, is dat Paulus het heeft over de buitenstaander en de ongelovige als deelnemers, niet als toeschouwers. Hij hoopt dat ze ‘amen’ zeggen en ‘op hun knieën vallen’ en ‘aanbidden’. En de gastvrijheid van de gemeente moet dat mogelijk maken. En daarom is de gemeente gastvrij tot in de meest intieme delen van de aanbidding toe: bidden en zingen. Paulus heeft het niet over de collecte, maar over de intieme omgang met God. Ook dan is de gemeente ‘publiek’, ‘openbaar’, ‘toegankelijk’: je doet dit niet alleen voor jezelf, en zelfs niet om samen te zijn met God; je doet het ook voor en hopelijk met de ‘ander’.

Toen wij ruim tien jaar geleden begonnen met Via Nova in Amsterdam, wilden we een kerk waar je zonder kromme tenen je vrienden en collega’s mee naar toe kon nemen. We hebben de hele kerk, de liturgie, de cultuur in de gemeente, de organisatie, de manier van leidinggeven, de website, wat ook maar, doordacht en opgezet vanuit dit principe van gastvrijheid. We wilden een uitnodigende kerk zijn. En ik heb gemerkt dat dit veel meer is dan een trucje, veel meer dan marketing. Gastvrijheid is als een zuurdesem; het doortrekt je hele manier van kerkzijn, het vormt je theologie en spiritualiteit, de taal die je spreekt, de liederen die je zingt, de manier waarop je collecteert en voorbede doet. Een gastvrije kerk doet niet gastvrij, zo eens per jaar; een gastvrije kerk is gastvrij. Het valt me op dat in vrijwel alle nieuwere kerken, zowel hier in Nederland als elders in Europa of in Amerika – en juist in de meer seculiere delen van de wereld – gastvrijheid de kernpraktijk is die alle andere praktijken van het gemeenteleven vormgeeft.

Misschien begint het wel in het hart van het gemeentezijn: de viering, de liturgie. De gastvrijheid van de liturgie begint daar waar die niet meer een een-tweetje is tussen de professionele theoloog (dominee, priester) en de organist, maar echt een ‘werk van het volk’ wordt. Vanaf het allereerste begin hebben wij de voorbereiding van de viering op zondag altijd met zoveel mogelijk mensen gedaan. We hebben mensen voor de muziek en de liederen, voor de verbeelding (dat wil zeggen: foto’s, filmfragmenten, kunst), voor de interactiemomenten, en ga zo maar door. Mijn eigen rol als voorganger is eigenlijk beperkt tot het aandragen van een ruwe schets van m’n preek, een paar weken van tevoren. Ik heb gemerkt dat dit uit handen geven van je macht een enorme vreugde geeft. Gastvrijheid begint misschien wel daar waar degenen die de macht in de gemeente hebben een stapje terug durven doen en ruimte maken voor de inbreng van anderen. Wij hebben bijvoorbeeld 2-3 liturgische formats gemaakt (variërend op de ingrediënten van de klassieke liturgie en passend bij de tijd van het kerkelijk jaar). We hebben een liedbundel samengesteld, met liederen en psalmen uit vrijwel elke denkbare bundel en zowel in Nederlands als Engels. En daarmee gaan de mensen aan de slag. Het verhoogt ook de verwachtingen, heb ik gemerkt. Mensen gaan niet meer zitten in de consumenthouding, zo van: het zal me benieuwen wat de dominee nu weer bedacht heeft, maar ze zijn zelf ‘producent’ geworden en daarmee gast en gastheer tegelijk. De bereidheid om uit te nodigen heeft veel te maken met dit soort verbindingen: je betrokken voelen, voelen dat het ook iets is van ‘jezelf’, een beetje gepaste trots op wat daar zondag wordt verricht.

En vanuit die gastvrijheid waarin je het volk van God uitnodigt om werkelijk deelnemer te worden aan de liturgie, zo nodigt het volk van God anderen uit. Het is bij ons vanzelfsprekend dat er momenten zijn van interactie, gespreksvormen tijdens de samenkomst, dat mensen gebedspunten kunnen noemen, doelen mogen voorstellen om geld aan te geven, dat ze ter plekke feedback kunnen geven op de preek, en noem maar op. Gastvrijheid voelt zich niet bedreigd.
Zo van buiten naar binnen denken – want dat is het eigenlijk als je gastvrijheid als DNA neemt – maakt natuurlijk ook dat je kijkt naar je website en je gebouw. Websites van kerken zijn vaak of gortdroog en zeer informatiedicht, of ze staan vol foto’s van worshippende mensen met de ogen dicht, maar wat ze gemeen hebben: ze zijn gericht op kerkmensen, niet op mensen. Dus kijk nog eens naar je website samen met mensen die je als gast zou willen uitnodigen. Laat hen advies geven, eerlijk en direct. En laat de website ook een voorportaal zijn, een narthex, een ruimte waar ook (bv in een afgesloten chatgroep) met elkaar doorgepraat kan worden. Een open forum is meestal geen goed idee in onze samenleving, maar zorg wel dat mensen vragen kunnen stellen, dat ze gemakkelijk content kunnen downloaden, en vooral: dat ze op hun eigen manier kunnen snappen wat dit voor club is, wie ze betaalt, wat ze doen, waarom ze zelf vinden dat ze er moeten zijn. Neem niets voor vanzelfsprekend aan, ga steeds uit van de voorkennis van mensen om je heen.

Idem dito met het gebouw. Hoeveel kerkgebouwen zijn nu echt uitnodigend? Natuurlijk, je hebt prachtige oude gebouwen met veel glas in lood. Die verkopen zichzelf wel, zogezegd. Maar het gros van de kerkgebouwen is wanhopig specialistisch: stralen vooral uit dat dit voor mensen is die van de hoed en de rand (soms letterlijk) weten. Kantoorgebouwen voor Gods grondpersoneel. Onduidelijk informatie, met afkortingen die alleen voor ingewijden te begrijpen zijn, parkeerplaatjes met bordjes ‘alleen voor de predikant’, of met ‘ophaaldienst’ (kun je daar Chinees krijgen?). Kijk naar zo’n gebouw met de ogen van een buitenstaander: is het vooral een clubhuis of echt een gastvrij gebouw? Straalt het warmte uit?

Dit klinkt misschien als marketing, maar het is iets anders: het is steengeworden en vleesgeworden liefde, hoffelijkheid. Gastvrijheid is wat anders dan slimme manieren vinden om mensen te recruteren. In een cultuur als de onze is de meerderheid totaal niet geïnteresseerd in het bijwonen van een kerkdienst of lid worden van een kerk, en het maakt echt niet uit hoeveel marketing je erin investeert – dat blijft zo. Gastvrijheid gaat veel dieper; het is echt een manier van zijn. Het is geen instrument om zo missionair effectiever te zijn; gastvrijheid is de missie. In de eerste plaats is het simpelweg: mensen bij elkaar brengen rond dingen en doelen die ertoe doen, en daaromheen vriendschappen sluiten, verbintenissen leggen. Theologisch verbind ik dat met priesterschap. De gemeente, zegt de apostel Petrus, is een gemeenschap van priesters. En priesters staan tussen God en mensen in: ze vertegenwoordigen de buurt, de stad, het dorp voor God, en ze vertegenwoordigen God voor de mensen. Priesters zegenen God namens de schepping, en ze zegenen de schepping namens God. Daarvoor hoef je niet groot of rijk te zijn als kerk; het gaat er vooral om dat je ziet wie je bent, wat je rol is in de wereld. Priesters zijn gastvrij: ze sluiten vriendschappen uit echte belangstelling met anderen, ze delen hun leven. Ze zegenen hen op allerlei manieren: concreet, praktisch, door een compliment te geven, door gewoon vriend of vriendin te zijn – zonder verborgen agenda, zonder druk. Gewoon als medemens, getuigend af en toe. En priesters nemen soms die anderen zelf, en nog veel vaker hun verhalen, mee voor God om ze voor hem te brengen in gebed en klacht en lofprijzing. Ze ‘dragen’ de ander.

Gastvrijheid kun je op zoveel manieren invullen. Het is meer een DNA dan een serie tips en tops. Het hangt er ook een beetje van af wat voor kerk je bent, hoe heilig je liturgie is, wat voor mensen je in huis hebt, uit welke traditie je komt. In onze eigen kerk hebben we een liturgie die verzorgd is en gestructureerd, maar wel inclusief. Wij zijn kerk voor mensen, niet voor kerkmensen, zeggen we altijd. Dus om protestants te beginnen: we preken alsof de hele stad meeluistert. Altijd, of er nu gasten zijn of niet. We doen het niet voor gasten; we doen het simpelweg omdat dit is wat we zijn. In taal van deze tijd, over alle teksten van de Bijbel, en vol in contact met de tijd. We zeggen altijd: mensen hoeven heus niet alles te begrijpen, maar ze moeten wel het idee hebben dat ze gezien en gehoord zijn. We praten nooit over mensen alsof
ze er niet bij zijn, dus ook niet over mensen uit andere kerken, ‘ongelovigen’, moslims, boeddhisten, PVV’ers, PvdA’ers, of wie dan ook. Het mooiste compliment dat ik kan krijgen als prediker is wanneer iemand uit de gemeente zegt: ‘Afgelopen woensdag hadden we een training op het werk, en toen heb ik even wat dingen uit de preek van zondag genoemd. Dat sloot er geweldig op aan!’.

En ga er maar van uit dat zo iemand de volgende keer een collega uitnodigt. Want met uitnodigen is het toch een beetje zo: zolang je mensen steeds moet vertellen dat ze toch vooral anderen moeten uitnodigen, dan ben je als kerk waarschijnlijk niet gastvrij genoeg. En dat doen we dus ook nooit. We doen gewoon altijd alsof er gasten zijn, ook door bijvoorbeeld kort de onderdelen van de liturgie uit te leggen. Ook door telkens weer te zeggen: we gaan zingen, voel je vrij om mee te doen, maar prima als je liever kijkt en luistert. Door altijd te vertellen hoe lang de dienst gaat duren, want kerkmensen denken al veel te snel dat iedereen dat wel weet. En zo maar door: gastvrij zijn, niet doen. En als je dat doet, dan krijg je steeds meer samenkomsten waar mensen gaan denken, achteraf: ‘Daar had m’n buurvrouw bij moeten zijn’. En dan heb je bingo.

We zingen niet al te veel, omdat zo’n evangelicaal blok lofprijzing waarin mensen met ogen dicht en handen omhoog staan vaak afschrikt. Maar we zingen wel, want we zijn een kerk, we zijn priesters en we zingen en we bidden dus. Ik zeg altijd maar: christenen kunnen niet zoveel bijzonders, maar we zijn wel goed in bidden. Wat dat bidden betreft: we nodigen altijd uit om gebedspunten te noemen, en we vragen mensen in de kerk: praat eens met je buren of je vrienden en vraag of ze nog iets hebben waarvoor we hier kunnen bidden of danken. Neem hen mee om het zelf te vertellen, of neem hun verhalen mee. Dus wij bidden meer voor niet-leden dan voor de ‘eigen’ mensen, zogezegd. Of neem de collecte: dat is altijd een moment waarop we een project uit de stad onder de aandacht brengen (je eigen kerk kan best via de giro ondersteund worden). Soms komt iemand het zelf presenteren. Dat kan ook best een moslima zijn uit de buurt, die een project is gestart voor huiswerkbegeleiding. We zijn een schaamteloos christelijke kerk, maar Calvijn zei al: wat goed is, is goed en wat waar is, is waar. Ook als de waarheid een hoofddoek op heeft.

En dan eten we natuurlijk altijd. Dat hoor je in haast elke nieuwere kerk: voor, tijdens of na de viering eet je met elkaar. En alle gasten zijn welkom; voor hen neem je gewoon wat extra mee. Dus hou op met dat kopje koffie na afloop; zet een grote tafel neer en laat iedereen eten meenemen. En laat de vluchtelingen koken en houd de wijn een beetje uit de buurt van de dakloze meneer die altijd binnenkomt (of drink één glaasje met hem mee); en vraag de mensen
die je uitnodigt: als je toch wat terug wilt doen, kun jij dan die fantastische taart bakken die jij altijd maakt voor je verjaardag? De mensen in onze kerk gaan niet weten wat ze proeven! Maak gasten deelnemer, op allerlei manieren. Laat het alsjeblieft een beetje lijken, al is het maar een beetje, op het feestmaal van de Heer. ‘Kom en proef dat de Heer goed is’. Kerkproeverij, dat mag best een beetje op een restaurant lijken. Ook daar is het niet zo dat je vooral een goed gesprek hebt over eten, zeg maar.

Gastvrijheid gaat ook over ‘third places’: plekken om elkaar te ontmoeten, zonder dat ze meteen heel ‘kerkelijk’ voelen. Bij ons en bij veel andere nieuwe kerken gebeurt dat haast vanzelf al, doordat je geen eigen gebouw hebt. Wij zitten in een broedplaats, een voormalig pathologisch-anatomisch laboratorium, dat nu helemaal wordt gebruikt door film-makers en een art-house bioscoop. Wij zitten beneden in de kelder, waar vroeger pathologisch-anatomische dingen gebeurden, waarover ik nu niet zal uitweiden, maar het punt is: in ons gebouw zijn wij zowel gast als gastheer. Wij delen het met anderen die er wonen en werken en mooie dingen maken. Ik kan het iedere kerk aanbevelen, omdat het meteen al iets weghaalt van de rare spanning dat de kerk de gastheer is en de ander de ‘gast’, die ‘jouw’ gebouw mag binnenkomen.
Maar anders zijn er andere ‘third places’: een inloophuis misschien, een kroeg, een boekwinkel, een jeugdhonk, een bioscoop, huiskamerconcerten – ik heb allerlei voorbeelden gezien waar mensen elkaar spontaan kunnen ontmoeten en hun levens kunnen delen. Kerken kunnen daar veel meer mee doen, ook qua uitnodiging. Ik zou alleen niet samen proberen te bedenken wat dan ‘werkt’, maar ook gastvrij zijn in het bedenken van zoiets. Begin met contacten leggen, vriendschappen sluiten, je inwerken in het weefsel van de buurt. Bid ervoor, praat erover met elkaar, stel je open voor wat de Geest geeft, en kijk waar de creativiteit begint te stromen. En probeer het niet allemaal zelf te bedenken, maar doe het samen met de ‘gasten’ zogezegd. Gastvrijheid, zegt Henri Nouwen, is een ruimte scheppen waar mensen elkaar kunnen ontmoeten zonder zichzelf te verloochenen. Het mag gebeuren met een zekere zelfbewustheid, ‘getuigend’, maar wel zo dat de ander ook kan ‘getuigen’ – dat verhalen elkaar raken, mensen elkaar ontmoeten en elkaar beter gaan begrijpen, elkaar liefhebben.

En mocht u het denken: nee, dat is allemaal geen ‘horizontaal gedoe’. Dat is voluit christelijk! Gastvrijheid is geen marketing, het is ook geen organisatiemodel, en het is ook niet ‘vrijzinnig’. Tussen haakjes: onderzoek laat zien dat kerken die het meest verweven zijn met hun buurt het minste last hebben van allerlei spanningen tussen ‘evangelicaal’ en ‘vrijzinnig’. Hoe dieper het contact met Gods missie in de buurt, hoe meer zulke verschillen relatief blijken te zijn.
Maar mijn punt is: gastvrijheid is ook spiritualiteit. Als gastvrijheid je missie is, draait het niet allereerst om wat wij in bezit hebben dat we anderen kunnen aanbieden, maar het draait erom dat we relaties aangaan en ons leven open maken omdat we geloven dat daardoorheen God ons roept bij zijn zaak, ons verandert als mensen naar zijn beeld. Gastvrij kerkzijn heeft alles te maken met de Geest: met fijngevoeligheid ontwikkelen voor zijn aanwezigheid.

Als ik hier nog een bijbelverhaal mag noemen: het verhaal van de ‘verloren zoon’. Wat me altijd zo enorm treft in dat verhaal is nog niet eens dat die jongen thuis mag komen en dat zijn vader hem omarmt – zie dat geweldige schilderij van Rembrandt. Nee, wat me daarin raakt is de oudste zoon: als zijn broer thuiskomt, ontdekt hij voor het eerst hoe zijn relatie met zijn vader echt is. En dat blijkt niet zo best te zijn; hoe lang hij ook al bij zijn vader woont, en hoeveel tijd hij ook met hem doorbrengt, als de verloren zoon, zijn broer, thuiskomt, wordt hij ontmaskerd. En uit die ontmaskering volgt een nieuwe uitnodiging door zijn vader aan hem: ‘Zoon, je broer was dood en is levend; kom naar binnen en vier het feest’.

Gastvrijheid is hard nodig, omdat dit de belangrijkste manier is waarop God de gemeente vormt en uitdaagt en dicht bij hem brengt. Ik gebruikte net het beeld van priesterschap: de gemeente als priesters. Priesters zijn als het ware gastvrij in twee richtingen: ze staan open voor God, voor zijn verrassingen en zijn onverwachte zegen; en ze staan open voor hun medemensen, voor de zegen die vanuit hen komt. En ze weten dat die zegen ook uiteindelijk van God komt.
Als we het over Kerkproeverij hebben, hebben we het over één dag per jaar. Gewoon een open dag, zoals de voetbalclub en de muziekvereniging ook hebben. Niets mis mee, de kerk is ook gewoon een organisatie en het is altijd mooi als mensen een idee hebben wat daar gebeurt. Maar ik hoop dat ik met deze ‘kleine theologie van de uitnodiging’ een beetje heb kunnen laten zien dat die dag voor veel meer staat. Het is een symbool van wat de kerk is, of zou moeten zijn. De kerk is een plek van gastvrijheid, een plek waar de aarde gastvrij is naar de hemel en waar de hemel een beetje open gaat naar de aarde. Een plek waar mensen ruimte maken door lief te hebben, door zelf een stapje terug te doen zonder zelf te verdwijnen. Een plek, of een netwerk van plekken, waar echte ontmoeting kan gebeuren. ‘Kom en proef dat de Heer goed is’.

Prof. dr. Stefan Paas, hoogleraar missiologie en interculturele theologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en hoogleraar missiologie aan de Theologische Universiteit Kampen. 

Raad van Kerken in Nederland
Koningin Wilhelminalaan 5
3818 HN AMERSFOORT

Facebook Twitter LinkedIn
phone033-4633844
emailrvk@raadvankerken.nl