Deel 3 : Bijlage: opmerkingen en vragen

  1. Mijn motivatie heb ik aan het begin toegelicht. Ik heb weliswaar mijn hele professionele leven kerkelijk werk gedaan, vooral landelijk en internationaal, maar deze materie is niet mijn vakgebied en ik heb geen academische pretenties. Juist daarom schrijf ik in de ik-vorm. Wel heb ik uiteraard geprobeerd om de cijfers zo goed mogelijk te onderbouwen. Vandaar de vele voetnoten. En ik hoop dat sommige van de vele details daarin toch ook voor de specialisten interessant zijn, juist vanwege de blik van een betrokken buitenstaander.

    Voor commentaar op verschillende versies ben ik enkele vakmensen dank verschuldigd. Zij zijn niet verantwoordelijk voor mijn tekst, maar ik noem toch Joris Kregting, die als onderzoeker bij Kaski in zijn artikelen vaak wél met aantallen werkt, naast de percentages.[i] En ik heb de indruk dat over de kerngegevens van 2015 (deels 2016) aan het begin, grotendeels gebaseerd op de percentages in GiN, een zekere mate van consensus bestaat. Er zijn afwijkingen naar boven en beneden, maar voor de beeldvorming van kerkelijkheid en geloof gaat het om de orde van grootte.

  2. Het verschil tussen de uitkomsten van de ‘ééntrapsvraag’ van het CBS en de ‘tweetrapsvraag’ van GiN (een derde in het aantal kerkleden) roept uiteraard tegenstrijdige beelden op. Het CBS zette boven zijn persbericht van dec. 2016: ‘Helft Nederlanders is kerkelijk of religieus’. In de publiciteit over GiN, 8 maanden eerder, kreeg juist de nadruk dat nog maar een kwart zich kerkelijk noemde. (Er is een kleine vertekening doordat het CBS 6% andere godsdiensten meerekent.)[ii]

  3. Terzijde: het CBS houdt ook in 2016 nog steeds vast aan hervormd, gereformeerd en PKN als verschillende categorieën. Dit schept 12 jaar na de fusie in 2004 alleen maar verwarring.
  1. Wat betreft de jongeren: doordat zij niet worden meegeteld, zijn termen zoals ‘x% van de bevolking’ onduidelijk. Bij GiN (onderzochte groep 17 jaar en ouder) worden 3.2 miljoen minderjarigen niet meegerekend, bij het CBS (18 jaar en ouder) 3.4 miljoen. En zoals opgemerkt zijn jongeren in behoudend-gereformeerde, evangelicale, pinkster- en internationale (migranten)kerken juist zeer aanwezig. Frappant is dat het CBS weliswaar een neergang ziet, maar nog steeds beschouwt 45 % van de jongeren van 15 t/m 17 zich als godsdienstig. Dit is zelfs meer dan de generatie van 18 t/m 24, nl. 40 % . Zie voetnoten 9 en 17.
  1. Wat betreft de internationale (migranten)kerken: het SCP werkt aan een nieuwe studie over religie waarin ook een hoofdstuk over deze kerken zal zijn opgenomen. Meer aandacht hiervoor werd al in het SCP rapport ‘Godsdienstige veranderingen in Nederland’ in 2006 aangekondigd (p. 37). Om hoeveel mensen gaat het, met name wat betreft de christenen met een niet-westerse achtergrond? Daarover bestaat veel onduidelijkheid. Toch is evident dat niet alleen de cultuur en de economie globaliseren, ook kerk en geloof.

    Des te meer valt het op dat de migrantenchristenen in GiN nog steeds onzichtbaar zijn. Ter nadere toelichting volgen nu eerst wat CBS cijfers (afgerond) over migranten in het algemeen. (Voor de CBS definities van westerse en niet-westerse allochtonen, zie voetnoot 23.)[iii]

    - Algemeen: het aantal niet-westerse allochtonen was volgens het CBS op 1 jan. 2016 ruim 2 miljoen. Het aantal westerse allochtonen was bijna 1.7 miljoen. Samen 3.7 miljoen. Dat is ruim één op de vijf Nederlanders.
    - Onder de eerste categorie (niet-westerse) vallen 385.000 mensen met een Marokkaanse achtergrond en 400.000 met een Turkse: overwegend islamitische landen die vanaf de jaren ’60 veel ‘gastarbeiders’ leverden.
    - Uit Syrië (43.000), Somalië (40.000), Irak (56.000) en Iran (38.000) komen vooral vluchtelingen, zowel moslims als christenen.
    - Suriname (350.000) en de (voormalige) Ned. Antillen en Aruba (150.000) leveren de grootste groepen met een niet-moslim achtergrond. Uit landen zoals Brazilië, de Filippijnen, Ghana, Kaapverdië en Vietnam zijn per land rond de 20.000 mensen afkomstig. 70.000 hebben een Chinese achtergrond.
    - De grootste groepen Europese (westerse) allochtonen komen uit Duitsland (360.000), Polen (150.000) en België (115.000).
    - Allochtonen met een Indonesische achtergrond (360.000) gelden bij het CBS als westers, om sociaal- economische en culturele redenen.
    - Uit de landen van de voormalige Sovjet Unie komen 80.000 mensen. Ook deze landen gelden bij het CBS grotendeels als westers. Het zijn overwegend orthodoxe landen. Vraag: moeten de christenmigranten onder hen godsdienstsociologisch als westers of niet-westers geteld worden? Dit lijkt duidelijker bij de EU lidstaten Griekenland (20.000), Bulgarije (25.000) en Roemenië (23.000), maar het geeft al aan dat de scheidslijn vaag is.
    - Dit geldt ook voor veel allochtonen uit het voormalige Joegoslavië (85.000).
    - Wat betreft de grote steden: in Amsterdam, Rotterdam en den Haag wonen ongeveer evenveel allochtonen als autochtonen. Het overgrote deel is niet-westers. Daarbij spant Rotterdam de kroon, met in 2014 234.000 niet-westerse en 75.000 westerse allochtonen op een totale bevolking van 625.000. 

    Terug naar de vraag: om hoeveel mensen gaat het? Na 2002 was de meest gebruikte schatting van het totale aantal christelijke migranten, westers en niet-westers, 800.000.[iv] Een veel hogere schatting werd onlangs als actueel gepresenteerd bij een symposium begin oktober 2017 in Nijmegen over een database voor r.k. migrantenchristenen: 1.3 miljoen. Maar de bron was een artikel uit 2008, waarin op de verschillende groepen allochtonen in Nederland in 2004 (CBS cijfers) het percentage christenen per land van herkomst was toegepast. Eigenlijk ging het bij dat aantal om een indicatie van potentieel kerklidmaatschap.[v] Een recente schatting van Joris Kregting is 900.000. De consensus is: landelijk onderzoek is dringend gewenst.

    Belangrijker dan de precieze aantallen zijn de effecten op kerkelijkheid en geloof in ons land. Wat betreft de westerse migrantenchristenen zullen die beperkt zijn. Duitse protestanten en Belgische katholieken veranderen weinig aan ons landschap, laat staan dat zij de leegloop van kerken stoppen. Wel een belangrijke bijdrage aan de religieuze diversiteit komt van het groeiende aantal oosters orthodoxen in ons land (zie punt 6, hieronder). Maar staat tegenover immigratie ook emigratie. Binnen de EU hielden die in Nederland in 2012 wat migrerende EU-burgers betreft elkaar in evenwicht. Intussen heeft het toegenomen aantal Poolse katholieken wel een effect op de RKK.

    Maar uiteraard zijn de groeiende diversiteit en – letterlijk – veelkleurigheid in kerkelijk Nederland vooral te danken aan de niet-westerse christenmigranten. Ook over hun aantal is weinig zinnigs over te zeggen, anders dan dat het in de orde van grootte is van enkele honderdduizenden (ca. 500.000?). Ook een groot deel van hen (m.n. de r.k.) is uiteraard al in de gewone statistieken verwerkt. Toch doet hun geringe zichtbaarheid in rapporten over kerkelijkheid en geloof geen recht aan hun betekenis. Zeker in de grote steden vormen zij een aanzienlijk deel van de kerkgangers, vermoedelijk meer dan de autochtone. Voor schattingen, zie voetnoot 2.

    Tenslotte. Ondanks grote verschillen qua cultuur tussen ‘westerse’ en ‘niet-westerse’ christenmigranten, is er geen duidelijke scheidslijn. Een betere term is internationale kerken. Sommige tellen tientallen nationaliteiten. Zo is van de Scots International Church een derde Afrikaans. En het belangrijkste punt ook hierbij is natuurlijk niet de precieze aantallen, maar de vraag hoe met name niet-westerse migrantenchristenen zich zullen verhouden tot de Nederlandse samenleving en het Nederlandse kerkelijk leven. (En omgekeerd!) Aanpassing? Isolement? Oriëntatie op het land van herkomst of juist op Nederland? Missionair? Welke vormen van interactie? De globalisering is ook een spiegel voor Nederlandse geloofsgemeenschappen. Dankzij de contacten ontdekken hoe zij zelf blanke enclaves zijn geworden in een allang veel grotere wereld, waarin het zwaartepunt van het christendom ook niet meer in Europa ligt.
  1. De oosterse en oriëntaalse orthodoxie is wereldwijd georganiseerd in bisdommen en parochies, ook in Nederland. Ook het aantal geestelijken is bekend. Maar even los van de definitie ‘westers’ of ‘niet-westers’, hoe bereken je hier het aantal ‘kerkleden’? Het gaat om mensen die veelal gedoopt zijn, hun kinderen laten dopen, orthodoxe geestelijke verzorging wensen, orthodox begraven willen worden, etc. Orthodoxie is een wezenlijk deel van hun identiteit, maar dat wil niet zeggen dat zij trouwe kerkgangers zijn. Dus terwijl in alle onderzoeken actieve kerkelijke betrokkenheid vooral bepaald wordt door kerkbezoek, geldt dat veel minder voor de orthodoxie.

    Volgens sommige eigen opgaven bedraagt het aantal (geregistreerde) leden van parochies enkele duizenden, maar zo’n 175.000 orthodoxen voelen zich met de kerk verbonden zonder ‘lid’ zijn van een specifieke parochie.[vi] Het SCP schatte voor 2011 het aantal orthodoxen op 30.000 (‘Verenigd in verandering’, p. 213). De WRR schatte in 2006 ook 30.000 (‘Geloven in het publieke domein’, p. 112, tabel 4.14). Maar de nieuwe ambtsopleiding voor orthodoxe geestelijke verzorging aan de VU is gebaseerd op een heel ander aantal: tussen 170.000 en 205.000 (zie voetnoot 6).

    Ook dit illustreert de verwarring zodra het om een andere dan de traditioneel-Nederlandse cultuur gaat. Hoe relevant zijn de GiN vragen voor hen? Horen deze bijna 200.000 orthodoxen in GiN nu wel of niet bij ‘kerkelijk’ Nederland, gezien hun lage aantal in GiN (zie par. 3)? Het gaat hierbij overigens niet alleen om recente migranten. Veel gelovigen hebben Nederlandse wortels van eeuwen her. De eerste Armeense kerk in Amsterdam werd 300 jaar geleden ingewijd.

    Kortom:
    - Het aantal orthodoxen zou makkelijk te identificeren moeten zijn omdat zij, anders dan bv. Afrikaanse of Latijns Amerikaanse migranten, niet deels verstopt zitten in de cijfers van de RKK, de pinksterkerken, etc.
    - Maar het aantal is juist moeilijk te identificeren omdat de gebruikelijke vragen in surveys uitgaan van andere criteria voor kerkelijkheid en andere geloofswaarheden.
    - Hoe dan ook, al betreft het niet alleen migranten, het aantal maakt natuurlijk veel uit voor het totaal van de migrantenchristenen, westers en niet-westers.
  1. Iets heel anders, ook belangrijk voor de beeldvorming van kerk en geloof. In Nederland zijn de kerken veruit de grootste sector in de civiele samenleving (naast de consumentenorganisaties en de sportwereld), ook als we naar het aantal vrijwilligers kijken. In de PKN plus de RKK alleen al zijn dat er 420.000.[vii] Kerkleden zijn maatschappelijk meer betrokken dan seculieren.[viii] En voor de PvdA en de VVD is het toch interessant om te weten dat volgens het Nationaal Kiezersonderzoek 2012 van het CBS 42% van de PvdA stemmers en 39% van die van de VVD in 2012 zich gelovig noemden (bij de PvdA naar verhouding veel moslims).[ix] Zelfs D66 telde nog 30% gelovigen (het CDA 86%). Actief betrokken kerkleden staan ook positiever tegenover de Europese Unie dan niet-kerkleden.[x]

    Maar hoe definiëren kerken zelf hun rol in de civiele samenleving? De overheid treedt terug. De politieke partijen verkruimelen, hun aantal leden is in een halve eeuw gedaald van ruim 700.000 naar minder dan 300.000, terwijl het electoraat meer dan verdubbeld is. Geen wonder dat de overheid interesse toont in de maatschappelijke rol van religie, ook vanwege de integratieproblematiek.[xi] In de ‘participatie samenleving’ wordt weer meer van de kerken verwacht. Zo ook bij het integratie debat. Tegelijk zijn de kerken zelf ook volop deel van het probleem van de verzwakkende maatschappelijke instituties. Kortom, de toch nog aanzienlijke kwantiteit in aantallen is ook een kwalitatieve uitdaging voor de kerken.
  1. Hierbij moet natuurlijk wel worden bedacht dat in de sector ‘kerken’ zelf ook sprake van een groeiende pluriformiteit, zowel wat betreft geloofsopvattingen als visies op de samenleving. Dat geldt niet alleen binnen de RKK en de PKN, maar ook in de kleinere behoudend-gereformeerde, evangelicale, pinkster en migranten kerken, met hun veel grotere percentages betrokken kerkleden.[xii] Kleine kerken zoals de Remonstranten, Doopsgezinden, Oudkatholieken en Quakers gelden deels als vrijzinnig maar zijn getalsmatig heel klein, samen ca. 15.000 leden. Binnen de veranderende context wordt het religieuze landschap steeds minder overzichtelijk.

    Daartoe behoren ook processen zoals de inspiratie door andere religieuze tradities, de trend naar ‘beleven’ in plaats van ‘weten’, de evangelicalisering, en het voortgaande afscheid – in verschillende mate uiteraard – van vaste geloofsvoorstellingen. GiN biedt vooral in hst. 3 veel informatie, ook getalsmatig, over hoe bij geloofsopvattingen en ervaringen het landschap verandert. Zo leeft het geloof in een persoonlijke God veel sterker in de PKN dan in de RKK. En in de kleinere gereformeerde kerken veel sterker dan in de PKN. (Zie overigens mijn kanttekening hieronder in punt 10.)
  1. Interessant is ook dat voor GiN 2016 een andere methode van dataverzameling is gebruikt dan bij de vorige edities. In 2006 en daarvoor lag de nadruk op persoonlijke (mondelinge) interviews van respondenten via een aselecte steekproef van adressen. Nu is gebruik gemaakt van een bestaand internetpanel, waarvan de leden een regelmatig vragenlijsten invullen, vaak tegen vergoeding. Dit levert een veel hogere respons op (74%, tegen 45% in 2006!). Maar het heeft ook invloed op de uitkomsten, bv. omdat vroeger over thema’s zoals spiritualiteit gesprekken ontstonden die het antwoord konden beïnvloeden. En bij sommige vragen wordt nu vaker ‘weet niet’ ingevuld. De verschillen met 2006 zijn volgens GiN (p. 202 en 203) hierdoor naar verhouding iets te groot bij subjectieve vragen over spiritualiteit en godsbeelden, maar niet bij de uitkomsten over kerklidmaatschap en kerkbezoek.

    Een vraag is wel weer of deze methode van vragen via internet gevolgen heeft voor de respons van niet-westerse migranten, die vaak ook de taal niet goed beheersen.  
  1. Een belangrijk punt. Wordt de beeldvorming beïnvloed doordat sommige vragen verouderd zijn? GiN besteedt vooral in deel 2 aandacht aan de groeiende diversiteit, de ont-dogmatisering en individualisering van het geloof en de ontwikkelingen in de ‘nieuwe spiritualiteit’. Zo ook aan het putten uit meer religieuze bronnen, het vervagen van traditionele scheidslijnen (bv. ‘meervoudige religieuze betrokkenheid’, ‘flexibel geloven’), het relativeren van eigen geloofsopvattingen, etc. Maar in deel 1 is een aantal vraagstellingen over geloof om methodische redenen dezelfde gebleven als in vorige edities. Is voldoende duidelijk dat sommige antwoorden óók zijn veranderd omdat de vragen zélf 50 jaar later anders worden verstaan?

    In mijn eigen omgeving bleek dit het geval bij ca. 15 kerkelijk betrokkenen die ik de belangrijkste vragen in GiN over geloofsbeleving heb voorgelegd. Ik zeg zelf nu ook nee op vragen waarop ik vroeger ja zei, maar toch ben ik niet minder kerkelijk geworden.[xiii] Wel heeft GiN 2016 enkele nieuwe vragen en ook ‘open’ vragen toegevoegd, maar mensen met zeer uiteenlopende geloofsopvattingen zitten naast elkaar in de kerk, zonder dat je kan zeggen dat de één minder kerkelijk of gelovig is. De term ‘interne secularisering’ (GiN, o.a. p. 63) roept makkelijk misverstanden op. Transformatie en de diversificatie van het geloof betekenen niet per se minder geloof.
  1. Ik heb ook vragen bij de huidige relevantie van sommige vragen in GiN over het vertrouwen dat de kerken genieten in de samenleving (ook al in eerdere edities).[xiv]
  1. De eigen kerkelijke statistieken heb ik niet gebruikt omdat zij geen betrouwbaar beeld van kerkelijkheid geven.[xv] Wel spreekt ook in deze cijfers het dalende ledental boekdelen. Maar terecht gaf Kaski vanaf 2014 bij het jaarlijkse rapport met ‘kerncijfers’ voor Kerkbalans bij de PKN geen aantallen meer van kerkgang. In 2013 werd het aantal wekelijkse kerkgangers nog geschat op 358.000, in 2014 stond er ‘onbekend’. Pijnlijk, schreef ik al. Kaski wilde niet oude tellingen blijven extrapoleren. De RKK blijft wel tellen: in 2015 telde Kaski 187.000 kerkgangers in een gewoon weekend.[xvi]
  1. De PKN heeft wel een ‘Statistische jaarbrief’ ontwikkeld, maar hierin ontbreekt de makkelijkst meetbare indicator van kerkelijke betrokkenheid, nl. kerkbezoek. In de eerste editie (2010) werd het voornemen uitgesproken om deze gegevens weer te gaan verzamelen, maar dit is (nog) niet gebeurd. Het is zeer wenselijk dat de PKN weer via Kaski aan tellingen gaat doen, zoals vroeger.
  1. Van internationale vergelijkingen heb ik afgezien. Maar één belangrijk punt is dat vergeleken met andere Europese landen Nederland sterk gepolariseerd is. In het Europees Waardenonderzoek van 1990 was Nederland in de toenmalige EG het meest geseculariseerde land in de zin van kerklidmaatschap, nl. het enige land waar de helft zich buitenkerkelijk noemde. Maar als het ging om kerkelijke betrokkenheid (minstens 1x per maand naar de kerk plus participatie in activiteiten) was Nederland het minst geseculariseerd: 23 % van de bevolking hoorde tot deze ‘kernleden’. Alleen Noord-Ierland scoorde even hoog. Maar hier is intussen wel een groot verschil tussen protestant en katholiek. Volgens een recent onderzoek van Pew Research is het percentage protestantse kerkgangers in Nederland veel en veel hoger dan het West-Europese gemiddelde onder protestanten (zelfs veruit het hoogst), terwijl het bij katholieken juist onder het r.k. gemiddelde ligt.[xvii]

Laurens Hogebrink, oktober 2017 ( hogebrink@planet.nl )

(De auteur was o.m. secretaris van de Raad voor de zaken van Overheid en Samenleving van de NHK en hoofd van het bureau Europa/N.Amerika van de PKN-in-wording. Hij was ook lid van commissies van de Wereldraad van Kerken en de Conferentie van Europese Kerken.)



[i] Bv. in het in voetnoot 5 geciteerde artikel.  

[ii] Voor een poging om de ééntrapsvraag en de tweetrapsvraag te combineren, zie het artikel van Joris Kregting in voetnoot 5.

[iii] De CBS definitie van allochtoon is: “persoon van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren.” Van niet-westerse allochtoon: “allochtoon met als herkomstgroepering een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Turkije.” Van westerse allochtoon: “Allochtoon met als herkomstgroepering een van de landen in Europa (exclusief Turkije), Noord-Amerika en Oceanië of Indonesië of Japan.” Zie ook voor de cijfers: http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=37325&D1=0&D2=0&D3=0&D4=0&D5=a&D6=l&HDR=G2,G3,T,G1,G5&STB=G4&VW=T .

Het gezaghebbende Amerikaanse Pew Research maakt bij allochtonen een ander onderscheid, nl. tussen ‘Europees’ en ‘niet-Europees.’ En met ‘Europees’ worden de lidstaten van de EU bedoeld. Dat kan verwarrend zijn. Zo stelt het veelgeprezen boek van David Dessin God is een vluchteling. De terugkeer van het christendom in de Lage Landen’(2017) dat er volgens Pew in 2012 al 26 miljoen christelijke migranten in Europa waren, van wie de helft van buiten Europa. Het christendom in Europa is springlevend, alleen is het niet Europees meer, stelt hij (o.a. p. 10 en p. 193). Maar de ‘Europese’ helft van de christelijke migranten betreft dus 13 miljoen christelijke burgers van EU lidstaten die in een andere EU lidstaat verblijven. Zij veranderen weinig aan het ‘Europese’ christendom. En tot de 13 miljoen ‘niet-Europese’ christenmigranten, die volgens Dessin het huidige Europese christendom overnemen, horen alle migranten van buiten de EU, dus ook de Zwitsers en Noren, uiteraard de Amerikanen in de EU, en ook de 3.5 miljoen voornamelijk orthodoxen uit Rusland, de Oekraïne, Albanië en Servië. Zie http://www.pewforum.org/2012/03/08/religious-migration-destination-spotlights/#europe . Dessin’s betoog wordt niet door zijn cijfers gesteund. (Maar hopelijk leidt zijn goed leesbare boek wel tot veel meer aandacht voor de migrantenkerken!)

[iv] Vaak wordt dit aantal van Kathleen Ferrier uit haar boekje ‘Migrantenkerken’ (2002, p. 30) geciteerd als het aantal niet-westerse christenmigranten. Dit is onjuist. Als coördinator van SKIN (‘Samen Kerk in Nederland’) heeft zij destijds samen met haar collega Mirjam den Hollander van het r.k. allochtonenpastoraat (‘Cura Migratorum’) een schatting gemaakt van het aantal leden in hun achterbannen (deels cijfers van 1998, zie voetnoot 19 in haar boekje) en dit naar beneden afgerond. Dit was inclusief christelijke migranten van westerse achtergrond, bv. de Deutsche Evangelische Gemeinde en de Scots International Church. In sommige kerken kwamen trouwens westerse en niet-westerse gelovigen samen. (Aldus ook de informatie in een email die Kathleen Ferrier mij in juli 2017 hierover stuurde.)

[v] Het betrof een artikel van godsdienstsocioloog Hijme Stoffels, A Coat of Many Colours; New Immigrant Churches in the Netherlands’, in: Mechteld Jansen and Hijme Stoffels (eds.) ‘A Moving God. Immigrant Churches in the Netherlands’ (Münster/Berlin/Zürich, 2008, p.15.). Hij koppelde (met enige correcties) de CBS statistieken van allochtonen in Nederland in 2004 aan de percentages christenen in de herkomstlanden in ‘World Christian Database 2006.’ Hij kwam op (afgerond) 500.000 niet-westerse en 800.000 westerse (m.n. Europese) christelijke migranten in Nederland, samen 1.3 miljoen. - Het CBS telde in 2004 bijna 3.2 miljoen migranten, waarvan bijna 1 miljoen moslims. Was dan dus in 2004 de overgrote meerderheid van de niet-moslim migranten in Nederland christen, nl. 1.3 van 2.2 miljoen? Dit geeft m.i. aan hoe lastig het is om met internationale gegevens te werken: nominaal kerklidmaatschap heeft per land een verschillende betekenis en zegt vaak weinig over betrokkenheid. Dit laatste gaf Stoffels zelf in zijn relativering van het aantal van 1.3 miljoen ook aan. Overigens ging zijn artikel vooral over de geschiedenis van de migrantenkerken en over de actuele uitdagingen ook voor de Nederlandse kerken. En het betreffende boek biedt ook van verschillende auteurs boeiende en heel diverse beelden van migrantenkerken, vooral in Amsterdam.    

[vi] Zie de website van de Orthodoxe Bisschoppenconferentie in de Benelux:  http://www.orthodoxekerk.net/orthodoxe-kerk/orthodoxie-in-nederland/ . Het getal 175.000  (zie ook  http://www.orthodoxekerk.net/geestelijke-verzorging/ ) is intussen verouderd (informatie van ACOT http://www.acot.nl/ ). Vooral door de komst van syrisch-orthodoxe vluchtelingen en werkzoekende Grieken stijgt het aantal.

[vii] Artikel van Joep de Hart in Verenigd in verandering’, SCP (2014), o.a. p. 143. Overigens kunnen demografische aspecten hierbij ook een rol spelen, o.a. leeftijd omdat de leeftijd van actieve kerkleden boven het gemiddelde zit, wat ook geldt voor vrijwilligers. Zie een Engels artikel uit 2013 van o.a. Joantine Berghuijs (mede-auteur van GiN) over nieuwe spiritualiteit en maatschappelijke betrokkenheid: http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/jssr.12062/full(dit is de samenvatting). Voor tal van gegevens over de maatschappelijke bijdrage van parochies en gemeenten van de RKK en de PKN, ook in geld uitgedrukt, zie Ton Bernts en Joris Kregting, ‘De kerk telt’ (Kaski, 2010).

[viii] Het artikel van Joep de Hart in ‘Burgerperspectieven, 2016/3’ (SCP, 2016, p. 47).

[x] Het artikel van Joep de Hart in ‘Burgerperspectieven, 2016/3’ (SCP, 2016, p. 45 en 46).

[xi] Zie bv. Erik Sengers en Kees de Groot, ‘Actualiteit en relevantie van de Nederlandse godsdienstsociologie. In: Religie en Samenleving, Jaargang 11, nr. 3 (december 2016, p. 328 en 329).

[xii] Zie het in voetnoot 7 geciteerde artikel, tabel 2 en de toelichting daaronder: “Het verschil in participatie tussen de kerkleden van de twee grote volkskerken en de kleinere protestantse en christelijke kerken is enorm.” Actieve betrokkenheid, m.n. regelmatige kerkgang, onder de bewuste leden van de RKK is 16%, van de PKN 28% en van de overige kerken 75%.

[xiii] Dit probleem was in de eerste editie van GiN in 1966 al aan de orde: mensen vullen op grond van verschillende geloofsvoorstellingen verschillende antwoorden in. Maar toen kon in gesprekken doorgevraagd worden. Bij een internetpanel niet. Bv. bij een vraag over de uitspraak ‘Christus is Gods zoon’ kan ik niet weten of een bovennatuurlijke vader-zoon relatie wordt bedoeld of een mens naar Gods gelijkenis of een messiaanse titel.

In deel 2 van GiN 2016, geschreven door Joantine Berghuijs, is wél veel aandacht voor persoonlijke opvattingen. Maar wordt naast het ‘wijkend christendom’, dat in deel 1 in kaart wordt gebracht, het beeld van wat wél (nog) aanwezig is niet te veel bepaald door a) de kleinere behoudende en de evangelicale kerken, en b) de ‘nieuwe spiritualiteit’? Ik ken veel ‘gewone gelovigen’ die niet in deze twee categorieën passen en die door veranderingen in hun geloofsvoorstellingen die in GiN ‘interne secularisering’ heten, niet minder gelovig of kerkelijk zijn geworden. Is ook de term ‘post-christelijk’, zie p. 95, niet te generaliserend? 

[xiv] Zo is vanaf 1966 de vraag gesteld of de kerken zich over voorbehoedsmiddelen en echtscheidingen moeten uitspreken. Zeggen de uitkomsten bij dit soort vragen iets over de relevantie van de kerken of van de vragen? (In GiN 2016 zijn deze vragen eindelijk geschrapt.) En waarom nog vragen over de doodstraf, terwijl deze vrijwel overal in Europa verboden is, ook in Nederland? Hetzelfde geldt voor de vraag over directe overheidssteun aan de kerken. Die is in 1983 afgeschaft (de ‘zilveren koorde’). - En het is spijtig dat niet in 2016 een extra vraag over vluchtelingen is toegevoegd, zoals in 1996 over armoede. Hoe zou op dit punt de relevantie van de kerken zijn beoordeeld?

[xv] Dit wil niet zeggen dat er geen ‘harde’ kerkelijke gegevens zijn. Financiële gegevens zie je bv. zelden in godsdienstsociologische overzichten. De teruggang van de opbrengsten van Kerkbalans is pas in 2010 begonnen, veel later dan verwacht. Tegelijk is de sterke teruggang van het aantal fte’s van predikanten van de PKN een teken aan de wand: gemiddeld 40 a 50 fte’s per jaar, op een totaal in 2015 van bijna 1.600 fte’s. (PKN, Statistische jaarbrief 2015, tabel K op p. 17.)

[xvi] In februari 2017 maakte Kerkbalans bekend dat gemiddeld per weekend 574.500 kerkgangers naar de kerk gaan. Dit betrof de kerken die aan Kerkbalans meedoen.

[xvii] http://www.pewforum.org/2017/08/31/five-centuries-after-reformation-catholic-protestant-divide-in-western-europe-has-faded/pf_08-31-17_europe-reformation-00-03/ , zie de tabel op p. 8.

 

Afkortingen

 

CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek (‘het CBS’ betreft in dit overzicht het paper ‘De religieuze kaart van Nederland, 2010-2015’ (2016)

COB: Continu Onderzoek Burgerperspectieven (uitgevoerd door het SCP)

GiN: Rapport ‘God in Nederland’ (2016)

Kaski (oorspr. Katholiek Sociaal-Kerkelijk Instituut): Onderzoekscentrum Religie en Samenleving (Radboud Universiteit Nijmegen).

LISS: Langlopende Internet Studies voor de Sociale Wetenschappen

NHK: Nederlandse Hervormde Kerk

OCW: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

PKN: Protestantse Kerk in Nederland

RKK: Rooms-katholieke Kerk

SCP: Sociaal en Cultureel Planbureau

SKIN: Samen Kerk in Nederland (oorspr. opgezet als vereniging van migrantenkerken)

WRR:Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

Raad van Kerken in Nederland
Koningin Wilhelminalaan 5
3818 HN AMERSFOORT

Facebook Twitter LinkedIn
phone033-4633844
emailrvk@raadvankerken.nl