Vluchtelingenzondag 25 juni 2017

- bij de lezingen van het oecumenisch leesrooster voor deze zondag: Jeremia 20:7-13, Psalm 69:14-30, Romeinen 5:15-19, Matteüs 10:16-33.

Matteüs 10:16-33 is het tweede deel van de rede bij de uitzending van Jezus’ leerlingen in de wereld. Het is een verrassing om te horen hoeveel diersoorten in deze lezing meedoen om ons iets te leren! Het zijn er wel vijf: schapen, wolven, een slang, een duif en mussen.

Vluchten
Het valt direct op dat het scherpe contrast tussen de heerschappij van de wereld en het koninkrijk van God voor de twaalf gezondenen (apostelen, v 2) een lijdensweg uittekent. Het gaat over gegeseld worden in de synagoge, over gesteld worden voor gouverneurs en koningen, maar ook over vervolgd worden en gedwongen worden om te vluchten (v 23). Het is alsof we hier al horen van het lijden van Christus zelf. Ook in het zij die ‘uitgeleverd worden’ (v 19) vermoed je al een verband met Jezus die door Judas verraden zal worden. Onwillekeurig denken we aan christenen die anno 2017 vervolgd worden in Syrië en op andere plaatsen in het Midden- en het Verre-Oosten. Het ‘omwille van mij’ (v 18, 22, 39) rechtvaardigt dat. Toch staat de evangelist een veel bredere groep mensen voor ogen dan alleen zij die in beeld komen als slachtoffers van christenvervolging. Het gaat Jezus om allen die ‘vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan.’ (Mat 11:28).

Identificatie
De leerlingen zijn van dezelfde ‘soort’ als de mensen die lijden in de wereld. Bij de inzet tot deze zendingsrede horen we: ‘Toen Jezus de mensenmenigte zag, voelde hij medelijden met hen, omdat ze er uitgeput en hulpeloos uitzagen, als schapen zonder herder.’ (Mat 9: 36). ‘Ik zend u als schapen onder de wolven.’ (v 16), zegt Jezus vervolgens tot zijn leerlingen. Ze worden gezonden als gelijken onder huns gelijken. De ervaring om vervolgd te worden en te vrezen voor je leven, om te moeten vluchten, is een basis-ervaring van iedere christelijke gemeente. We hoeven vluchtelingen niet tegemoet te treden in de hulpverlenersmodus, maar mogen dat doen als broeders en zusters, met elkaar verbonden als mede-ervaringsdeskundigen. Dan wordt ook duidelijk dat het alleen maar hoogmoed is om te denken dat ons zoiets nooit zou kunnen overkomen. De drijfveer om zijn leerlingen uit te sturen is de ontferming die Jezus voelt bij de uitgeputte mensenmenigte. Jezus zendt bij wijze van spreken het antwoord waar de dichter van de psalm van de zondag, Psalm 69:14-30, in zijn nood op wacht. De gemeente heeft deel aan dit lijden, maar heeft ook de positie van de door Christus deze wereld in gezondenen.

Profetisch
In het eerste gedeelte van de zendingsrede in Matteüs 10 blijkt dat de leerlingen niet worden opgeroepen om de confrontatie te zoeken in de wereld (v 14), maar om hun betrokkenheid op lijdende mensen (v 1, 8) op alle mogelijke manieren gestalte te geven. Maar vanwege de nadruk op de vervolging die daarmee gepaard gaat, is er in de tekst meteen een duidelijk profetische connotatie. Het is dan ook de Geest die voor de vervolgden zal spreken en voor hen instaat (v 18 -20). Als eenvoudige mensen met lege handen de wereld ingestuurd worden (v 8-13), louter om mensen te genezen, roept dat een tweespalt op (v 21-22, v 35-39) die tot op en zelfs onder je huid doordringt. Het roept de vraag op: ‘waardoor of door wie laat ik me intimideren?’ In de Jeremialezing (Jer. 20:7-13) horen we hoe de profeet hiermee worstelt. Zijn ervaringen van afwijzing en spot, vernedering en zinloosheid die hij, staande in dienst van God, ondervindt, legt hij bij Hem neer. Hij zou er mee willen stoppen. Maar Jeremia kan niet ontsnappen aan het vuur dat in zijn hart brandt en dat hem noopt om Gods woord te volgen (v 9). Hoe herkenbaar is dat bij sommige vluchtelingen als we hen bij hun asielaanvraag horen vertellen over de intrinsieke standvastigheid van hun overtuiging in woord en daad, ondanks hun vervolging!

Wonen in vrijheid
De apostelen moeten van stad naar stad vluchten (v 23), en zo is er een associatie met de vrijsteden van Israël (Numeri 35:15). Alles staat hier echter in het teken van de beperking van het lijden in de tijd. De verwachting van de spoedige komst van de Mensenzoon (v 23) en het koninkrijk van de hemel (v 7) zijn de grondtonen van deze zendingsopdracht. Daarin is het ‘wees niet bang’ (v 26, 28, 31) gezekerd. Zo is ook te begrijpen dat déze leermeester in een ander licht staat dan de leerlingen zelf. In die apocalyptische sfeer (v 15, 21) is de uitzonderlijke positie van Jezus Christus er mede met het oog op de bescherming en het behoud voor hen die hem toebehoren (v 32). De onpeilbare reikwijdte van Christus’ betekenis in het bestaan van de mensheid wordt door Paulus in zijn Romeinen-brief 5:15-19 benadrukt.

De gemeente vindt haar identiteit in haar leerling- en apostel-zijn van Jezus Christus. Als we Christus’ betekenis voor de mensen van vandaag tot ons door laten dringen, is opkomen voor de vluchtelingen een evident ‘missionaire’ opdracht. Uiteindelijk identificeert déze gezondene zichzelf radicaal met hen die onderop liggen: ‘Ik was een vreemdeling, en jullie namen me op’, zegt Jezus (Mat 25:35). De herder van uitgeputte schapen wordt lam Gods.

Ds. Anne Kooi,
predikante Protestantse Kerk Brussel.

Foto: Raad van Kerken.

Raad van Kerken in Nederland | Koningin Wilhelminalaan 5 | 3818 HN AMERSFOORT | 033-4633844 | rvk@raadvankerken.nl

Site design: SyncCP; techniek: SiteCan