Kerk en Werk, een prikkelende relatie

Mijn naam is Trinus Hoekstra, werkzaam bij Kerk in Actie, de diaconale werkorganisatie van de Protestantse Kerk in Nederland, en werkzaam bij DISK, het landelijk bureau voor arbeidspastoraat. Vanuit de samenwerking van DISK en Kerk in Actie hebben we de laatste jaren regelmatig materiaal voor kerken gepubliceerd over de economische crisis en in verband met de vraag wat kerken kunnen doen in relatie tot werkloosheid. Deze inleiding is voor een deel gebaseerd op die publicaties. Deze inleiding kunt u vanaf morgen terug vinden op de site kerk-werk.nl. Onder aan de inleiding kunt u dan ook verwijzingen naar literatuur en materiaal van vinden.

In deze inleiding wil ik eerst even stil staan bij de veelkleurige en vooral ook prikkelende relatie van kerk en werk. Daarna kijken we even naar de aard van de huidige werkloosheid en vervolgens zal ik schetsen wat kerken vanuit hun veelkleurigheid kunnen betekenen in relatie tot de huidige thematiek van werkloosheid.

De relatie van de kerk tot werk en werkloosheid is in de eerste plaats dus een veelkleurige. Je kunt die relatie immers pastoraal, diaconaal, liturgisch en educatief, in termen van vorming en toerusting, inkleuren. Op deze veelkleurigheid zal ik in deze inleiding ook ingaan. Maar die veelkleurigheid heeft ook een relatie tot iets anders, en het is wellicht dat ‘andere’ dat de relatie van de kerk tot werk en werkloosheid tot een prikkelende maakt. Die relatie is namelijk ook een maatschappelijke, dan wel een politieke, en met ‘politieke’ bedoel ik dan dat het gaat om een bepaalde visie of overtuiging aangaande de inrichting van de samenleving. In plaats van prikkelend wordt die relatie ook weleens ervaren als aanstootgevend. Het aanstootgevende zit erin dat we in de kerk te maken hebben met verschillende houdingen ten aanzien van de samenleving, die houdingen bewegen zich op een schaal van aanpassing aan de bestaande samenleving tot meer of minder radicale verandering van die samenleving. Het zijn met name de thema’s van werk en werkloosheid die deze maatschappelijke dimensie van de kerk ook oproepen. Leg je je bijvoorbeeld als kerk neer bij de situatie dat er lange tijd weinig werkgelegenheid voor mensen beschikbaar is, terwijl mensen door overheidsmaatregelen toch sterk op betaald werk afgejaagd worden en daarmee eigenlijk de ww en de bijstand in gejaagd worden. Of roep je als kerken op tot herverdeling van de beschikbare arbeid, zodat we de pijn van de economische crisis meer eerlijk gaan verdelen? Dit laatste onderwerp ligt maatschappelijk en politiek op het moment gevoelig, ik kom er straks nog op terug.

In de geschiedenis van kerk en theologie komt deze maatschappelijke dimensie van de kerk regelmatig voorbij. In de 19e eeuw ontwikkelde de industriële samenleving zich in Nederland en diende de sociale kwestie zich aan en daarmee ook het sociale en politieke ontwaken van de toen nog grotendeels christelijke samenleving ten aanzien van deze kwestie, vaak in de vorm van christelijke maatschappelijke organisaties. Bij de sociale kwestie ging het met name om de sociale veiligheid en zekerheid van arbeiders in werk en werkloosheid. Rondom die kwestie formeerden zich politiek en samenleving en ontwikkelde zich in de loop van de 20e eeuw de verzorgingsstaat. Nu anno 2014 maken we de overgang mee van de verzorgingsstaat naar de participatiesamenleving, een samenleving waarin het toonbeeld van maatschappelijke participatie het hebben van betaald werk lijkt te zijn, tegelijkertijd is dat betaalde werk voor velen niet beschikbaar en lijken velen in die participatiesamenleving bij gebrek aan betaald werk gedoemd tot onvolwaardige maatschappelijke participatie.

In de loop van de 20e eeuw tot nu toe is de kerk werk, en dan heb ik het over betaald werk, op tweeërlei wijze gaan waarderen. Werk is als belangrijk geduid voor mensen omdat ze er, naast dat ze hun levensonderhoud ermee verdienen, er een plek, bestemming, ontplooiing in vinden en tegelijk daarin met werk zin opdoen aan die samenleving. Tegelijkertijd is evenwel de onderkenning van die belangrijke rol van werk, met name van betaald werk voor mensen, voor kerken ook een reden geweest om betaald werk als zingever te relativeren. Daarbij speelde de gedachte een rol dat betaald werk in de samenleving van de afgelopen decennia wel erg als doel op het schild geheven is, als doel en inhoud van maatschappelijke participatie en dat daarmee betaald werk op een dwingende wijze zingevend is geworden voor mensenlevens.

Staand in deze tweezijdige kerkelijke beweging, deze prikkelende relatie van kerk en werk, wil ik straks ook ingaan op de betekenis van de in potentie veelkleurige wijze waarmee kerken vanuit verschillende invalshoeken op de thematiek van werkloosheid in kunnen gaan. Maar eerst is het nu zaak om de eigen aard van de huidige werkloosheidsituatie even scherp onder ogen te zien.

Werkloosheid
Nederland is sinds het laatste kwartaal van 2013 uit de recessie. Ook al staan verschillende signalen voor economische groei op groen, het is een lichte en niet onbetwiste groei en ook een groei die vooral export gerelateerd is. De binnenlandse consumptie, waar de groei het vooral van moet hebben, staat er nog steeds slecht voor. De situatie vertaalt zich dan ook niet in meer werkgelegenheid, integendeel. De verwachting is dat de werkloosheid in 2014 verder zal oplopen tot rond de 700.000 personen, dat is zo’n ruim 8,7% van de beroepsbevolking, en pas in 2015 bij de verwachte groei iets zal afnemen. De prognoses voor de eerstkomende 10 jaar zijn in ieder geval dat de werkloosheid nog hoog zal blijven. Deze prognoses staan in schril contrast met de bevindingen uit het rapport van de commissie Bakker uit 2008, een rapport dat nog steeds toonaangevend lijkt te zijn voor het huidige arbeidsmarktbeleid. De kern van dit rapport was de waarschuwing voor een komende structurele schaarste op de arbeidsmarkt. Men verwachtte op grond van het met pensioen gaan van de babyboomgeneratie en bevolkingsafname een begin van een structureel tekort aan werknemers op de arbeidsmarkt in 2011, oplopend tot een tekort van 1 miljoen werknemers in 2040. Gehandicapten, werklozen, mensen in de bijstand, iedereen moest op een verhoogde flexibele wijze beschikbaar komen voor de arbeidsmarkt. Mensen zouden bij arbeidsmarkthervormingen misschien baanzekerheid verliezen, maar daar tegenover stond vanwege de verwachtte krapte op de arbeidsmarkt werkzekerheid. Ten gevolge van de verhoging van de aow-gerechtigde en pensioengerechtigde leeftijd werken ouderen langer door. Met de recent doorgevoerde Participatiewet worden ook meer mensen met een beperking naar de reguliere arbeidsmarkt geleid. Anno 2014 is echter de arbeidsmarktsituatie drastisch anders geworden dan in 2008 werd verwacht. Ten gevolge van de economische crisis dreigt er geen tekort aan werknemers, maar vooral aan banen. Het voorspelde tekort aan arbeidskrachten blijkt een mythe, die op het moment slecht uitpakt voor jongere werklozen en toetreders op de arbeidsmarkt. De hardste klappen vallen evenwel bij de 55-plussers. Onder deze groep nam de werkloosheid in december toe met bijna 31%.

Het werkloosheidscijfer van 8,7% geeft overigens maar een beperkt beeld van de situatie. Wat er bijvoorbeeld buiten valt, is het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). In 2013 waren er in ons land zo’n 760.000 zzp’ers. Een aanzienlijk deel van deze mensen heeft wegens geen of afnemende opdrachten een aanzienlijke inkomensterugval doorgemaakt. Als zelfstandigen hebben ze geen recht op WW. Werknemers die dat wel hebben, krijgen overigens ook te maken met inkomensverlies. De WW bedraagt 70% van het laatst verdiende loon. Momenteel geldt maximaal, afhankelijk van het arbeidsverleden, nog een recht van 3 jaar en 2 maanden op deze uitkering. Daarna volgt een bijstandsuitkering ter hoogte van 70% van het minimumloon. Een fenomeen dat met deze inkomensdaling samenhangt, is de toename van het aantal mensen dat schulden heeft.

Naast inkomensverlies betekent werkloosheid zinbelevingsverlies. Werken doen we niet alleen met het oog op de kosten van ons levensonderhoud, maar ook om deel te nemen aan de samenleving. Het levert sociale contacten op, een maatschappelijke positie, structurering van de tijd en het biedt mogelijkheden om capaciteiten te ontplooien. Je werk kwijt raken, betekent dus niet alleen je bron van inkomsten verliezen, maar ook de persoonlijke en maatschappelijke betekenis die werk heeft en geeft. Met betrekking tot jeugdwerkloosheid, komt daar nog weer een eigen dimensie bij. Momenteel is sprake van een jeugdwerkloosheidspercentage van rond de 17%. Dat betekent dat jongeren ruim twee keer zo vaak werkloos zijn dan ouderen. Vinden ze al een baan dan gaat het vaak om tijdelijk flexwerk. In vergelijking met werkloosheid onder volwassenen gaat het bij jeugdwerkloosheid vaak om jonge mensen zonder een arbeidsverleden dat hun identiteit heeft kunnen vormen. Jeugdwerkloosheid heeft als maatschappelijk risico dat er een generatie opgroeit die maatschappelijk aan de kant blijft staan, jongeren die zich al afgeschreven voelen nog voordat ze een bijdrage hebben kunnen leveren. Zij dreigen in een soort van niemandsland terecht te komen: niet meer op school, nog niet aan het werk en met de onzekerheid van de vraag hoelang hun werkloosheid zal duren.

De gevolgen kunnen zijn verlies van zelfvertrouwen, gevoelens van nutteloosheid en uitzichtloosheid, verlies van sociale contacten, verveling, afnemende motivatie en afnemende bereidheid om verantwoordelijkheid te nemen voor de samenleving en de neiging om zich tegen de samenleving af te zetten. Deze jongeren vertonen hierin misschien ‘onvolwassen’ gedrag, maar daarin ligt ook juist hun probleem: ze worden steeds meer volwassen, maar kunnen maatschappelijk niet volwassen worden. Normaliter is er een zekere gelijktijdigheid tussen het volwassen worden in lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk opzicht. Jeugdwerkloosheid laat jongeren in een situatie van ‘nog niet’. Ze blijven afhankelijk en hebben weinig kansen om, eventueel met partners, een eigen leven op te bouwen.
In de laatste langdurige periode van hoge werkloosheid, in de  jaren’80, werd alles uit de kast gehaald om de werkloosheid te bestrijden: loonmatiging, arbeidstijdverkorting, de vut, gesubsidieerde banen en deeltijdwerk. Nu gaat het vooral over bezuinigingen en lastenverzwaringen om het begrotingstekort terug te dringen tot onder de 3%. In de jaren ’80 werd werkloosheid gezien als een gevolg van twee oliecrises, een bedrijfsleven dat aan de grond zat en een overheidstekort van 10%. Het was niet de schuld van het individu dat hij of zij geen baan had, er was gewoon geen werk. Tegen die achtergrond werd serieus gediscussieerd over ideeën als een basisinkomen. De gedachte was: ‘Geef iedereen een basisinkomen om van te leven, zonder sollicitatieplicht. Wie meer geld wil, zoekt een baan.’ Arbeidsbureaus stonden toe dat werklozen vrijwilligerswerk deden, met behoud van uitkering. Kerken hielden zich in die tijd ook bezig met een herijking van het arbeidsethos en de thematiek van vrije tijd. Denk aan het boek ‘Bevrijde Tijd’ van Okke Jager uit deze jaren.

In de decennia na de jaren ’80, op de golven van opkomende neoliberalisme en economische voorspoed, werd werkloosheid steeds meer gedefinieerd als een individueel probleem. Wie nu geen baan heeft, is niet goed geschoold of niet flexibel genoeg. De oplossingen die nu de ronde doen om de werkloosheid te bestrijden, sluiten daar grotendeels bij aan: scholing, een leven lang leren, en geld voor cursussen. Dergelijke oplossingen moeten de doorstroming op de arbeidsmarkt aan de gang houden. Er is weliswaar extra geld uitgetrokken om de jeugdwerkloosheid te bestrijden, maar verder blijft het grotendeels stil. Het UWV (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen) is qua organisatie uitgekleed en helpt alleen de ‘zwaarste gevallen’. De rest mag het met digitale ondersteuning vooral zelf uitzoeken.  Slechts in de marge van het maatschappelijk debat hoor je iets over herverdeling van arbeid, valt ook het woord basisinkomen weer of het idee om iedereen een quotum aan arbeidsuren te geven. Afgelopen zaterdag bepleitte Esther Bijlo in Trouw de invoering van een nieuw soort VUT, een regeling die mensen eerder met pensioen stuurt, opdat jongeren meer kansen hebben op werk. In het blad Qracht 500, editie 2014, wordt met het oog op de werkloosheid de deeleconomie bepleit. De Qracht 500 wil een knipoog zijn naar de Quote 500. In plaats van aandacht voor de rijken, wil het blad mensen die onder de armoedegrens leven een stem geven. Het blad stelt dat het delen van werk mogelijk een win/winsituatie oplevert voor mensen die zich overbelast voelen in hun werk en mensen die aan de kant staan. Het gedeelde werk zou gecombineerd kunnen gaan met een deeluitkering. Het motto van het voorstel is ‘wat de een te veel heeft en de ander te weinig, dat deel je gewoon’. Dit motto roept het beeld op van de wonderbare spijziging. Waar een voedselcrisis in het evangelie kon worden opgelost door te delen, zo lijkt een economische crisis opgelost te kunnen worden door de deeleconomie. Een ontwapenende gedachte met wellicht een diepe kern van wijsheid gezien de impasse waar we met de oplopende werkloosheid en voor jaren blijvend hoge werkloosheid in terecht zijn gekomen.

Kerken
Vanuit de veelkleurigheid van de kerk zijn er in potentie verschillende insteken mogelijk op de thematiek van werkloosheid. Denk aan pastoraat, diaconaat, liturgie, prediking en vorming en toerusting. In de samenhang van deze insteken is heel de mens in het geding: persoonlijk én maatschappelijk, spiritueel én materieel.  Een compleet programma voor wat een lokale kerk kan doen en dat overal toepasbaar is, is niet te geven. De realisering van een en ander hangt af van de mogelijkheden van de lokale kerk ter plekke. Ik geef een overzicht om op ideeën te brengen. Een aantal elementen uit dat overzicht zullen vandaag in workshops verder uitgewerkt worden.

Om te beginnen een aantal algemene vooropmerkingen. Een eerste aandachtspunt is de mogelijke ‘onzichtbaarheid’ van werkloosheid voor lokale kerken. Ook al is in een tijd van economische crisis werkloosheid een meer gangbaar probleem, vanzelfsprekend is het allerminst dat mensen het er van uit zichzelf over hebben dat ze werkloos zijn. Dit kan verschillende oorzaken hebben:
1. Mensen staan liever niet bekend als werkloos. Ze lopen er niet mee te koop. Dit ‘onderduikgedrag’ kan te maken hebben met verwachte negatieve vooroordelen over werkloosheid, maar ook met een daarmee samenhangend negatief zelfbeeld. Men voldoet nu eenmaal niet aan het ideaal van maatschappelijk succesvol zijn. Deze belevingskant kan het zoeken van het isolement en daarmee van de ‘onzichtbaarheid’ versterken. Het verschil met het ervaren van verlies op andere terreinen, bijvoorbeeld het verlies van een dierbare, is in het geval van het verlies van werk de sterke ervaring van het verlies aan maatschappelijke betekenis. Dat kan zich daarin uiten dat mensen het gevoel hebben dat ze ‘aan de kant staan’ en het gevoel hebben dat ze ‘niet meer meetellen’. Ze doen eigenlijk de ervaring op dat ze niet meer volwaardig deelnemen aan de samenleving. Ondanks de voor de hand liggende oorzaken van werkloosheid in tijden van economische crisis, kunnen werkloze mensen ook nog altijd geconfronteerd raken met vooroordelen over hun situatie. Het effect van een verwachte krapte op de arbeidsmarkt ijlt nog na in de gedachte dat je, als je maar wilt en je maar voldoende inzet, je wel werk kunt vinden. Voor sommigen zal het ook zo zijn dat ze redelijk snel weer een baan vinden, maar voor velen is het duidelijk niet het geval.
2. Een oorzaak kan ook zijn dat het idee bij werkloze mensen en hun omgeving bestaat, dat de kerk er toch niets aan kan doen. Dat idee is een rem om er over te praten, juist ook in het contact met mensen van de kerk. Men komt gewoon niet op de gedachte dat de kerk iets zou kunnen betekenen.

Om deze ‘onzichtbaarheid’ te doorbreken is het belangrijk om de waarneming van werkloosheid in een lokale kerk te versterken. Dat kan:
1. door de plaatselijke werkloosheidsproblematiek te inventariseren. Informatie kan worden ingewonnen via: de burgerlijke gemeente, het lokale of regionale UWV, vakbonden en plaatselijke, regionale en provinciale media.
2. Naast een inventarisatie die vooral plaatselijk of regionaal gericht is, is ook een algemene oriëntatie zinvol. Wat is de omvang van de werkloosheid op landelijk niveau? Wat is het overheidsbeleid? Wat zijn de visies van maatschappelijke organisaties en politieke partijen?
3. In het kader van een inventarisatie is het ook belangrijk om ambtsdragers en andere pastoraal en diaconaal werkenden te stimuleren om in contacten erop alert te zijn of en hoe werkloosheid ergens een rol speelt. Denk aan contacten in de wijk, met collega’s, familie, vrienden- en kennissenkring. Bedenk bij al deze contacten dat alleen al het praten over werkloosheid betekenis heeft. Het gaat dan om onderkenning, het benoemen van de actuele situatie. Dat kan ruimte scheppen om het meer bespreekbaar te maken.
4. Aandacht in de kerkdienst, prediking en gebeden is ook van belang. Ook dat maakt werkloosheid als probleem meer bespreekbaar.

Bij het aanpakken van werkloosheid vanuit kerken is het goed om de volgende richtlijnen te bedenken. Deze richtlijnen zijn in de loop der jaren in kerkelijke kring gerijpt:
1. Ga niets organiseren voordat bekend is wat er al is of is geprobeerd door: UWV’s; buurt- en wijkcentra; maatschappelijk werk; vakbonden en andere maatschappelijke organisaties en  kerkelijke instellingen.
2. Ga na welke bestaande zinvolle initiatieven de kerk of de diaconie kan steunen. Zoek de aansluiting en voorkom overlappend werk.
3. Daarna komt pas de vraag of de kerk of diaconie zelf initiatieven inzake werkloosheid kan ondernemen.
4. Probeer werkloze mensen te betrekken bij het ontwikkelen van initiatieven. Een initiatief dat van meet af aan (mede)gedragen wordt door werklozen en aansluit bij hun behoeften, werkt beter dan iets bij hen te droppen of vóór hen op te zetten.
5. Tot slot, bedenk bij de uitnodiging voor dergelijke initiatieven dat mensen niet gemakkelijk op oproepen via de (kerkelijke) media (kerkblad, website) af komen, en al helemaal niet als ze worden aangesproken op het deel hebben aan een probleem.

Kerkeigen taken
Na deze vooropmerkingen kunnen de kerkeigen taken in pastoraat, diaconaat, prediking en vorming- en toerustingswerk voluit in beeld komen.

In het pastoraat gaat het er om een luisterend oor te zijn. Voor de mensen, de gezinnen, de partners en kinderen, die getroffen worden door werkloosheid. Het is belangrijk dat de verhalen voluit verteld kunnen worden en gehoord worden. De coaches Jakob van Wielink en Riet Fiddelaers-Jaspers hebben hier in de publicatie Aan de slag met verlies uit 2012 belangrijke aanwijzingen voor gegeven. Zij wijzen erop dat wanneer mensen door ontslag hun werk verliezen een rouwproces doormaken. Er is weliswaar sprake van een andere, vaak mindere intensiteit van emoties als in het geval van het verlies van een dierbare, maar het zijn wel dezelfde emoties. Er is sprake van verdriet, machteloosheid, pijn en woede. De twee verliezen (een dierbare en werk) kun je volgens de auteurs niet vergelijken maar wel de reacties die mensen tonen op het verlies. Cruciaal is volgens de auteurs dat mensen gezien en gehoord worden met hun emoties. Deze aandachtige onderkenning en erkenning biedt mensen juist de gelegenheid om niet in hun emoties te blijven steken. Als je je emoties kunt kanaliseren, ben je in feite weer aan het bouwen. Het helpt vaak niet, volgens de auteurs, wanneer mensen te horen krijgen dat ze ‘hun schouders eronder moeten zetten’ en dat ze ‘er wel sterker uit zullen komen’. Achteraf kan iemand best zeggen dat hij of zij na een crisis milder, of rijker is geworden. Het werkt echter niet als een ander dat, vooraf (hoe goed bedoelt ook), vertelt.

Een ander aandachtspunt voor pastoraat in deze tijd van economische crisis, is de dreiging van baanverlies waar mensen onder kunnen leiden. Die angst kan als een schaduw over mensen heen hangen, ook als er nog niks aan de hand is. De huidige economische crisis gaat nog steeds gepaard met berichten van bedrijfssluitingen en ontslagen. Die berichten roepen een sfeer van dreiging op, mensen kunnen zich gaan afvragen ‘wanneer ben ik aan de beurt?’ …

Een mogelijkheid die gerelateerd aan het pastoraat te overwegen valt, is het interviewen van mensen die met werkloosheid te maken hebben gekregen. Vragen als ‘hoe het mensen is overkomen’, ‘wat het met hen doet’ en ‘hoe ze ermee omgaan’, kunnen een leidraad zijn. De interviews kunnen, natuurlijk in overleg met de betrokkenen, gepubliceerd worden in kerkblad, streekkrant of andere media. Een vervolg op dergelijke interviews kan zijn dat pastores elkaar er over interviewen. Vragen als ‘wat het hen gedaan heeft’ en ‘hoe deze gesprekken hebben doorgewerkt in hun werk’, kunnen een leidraad zijn. Ook deze interviews zouden gepubliceerd kunnen worden.

In het diaconaat gaat het om het onderkennen van de maatschappelijke situatie van mensen die werkloos zijn. Ook daarin is het belangrijk om een luisterend oor te zijn, maar ook om alert te zijn op de vraag of er sprake is van verarming en verschulding. In die situatie kunnen diakenen vaak fungeren als wegwijzer naar instanties als de bijzondere bijstand, schuldhulpverlening en voedselbank. Ook ná verwijzing kan het houden van contact een belangrijke ondersteunende betekenis hebben.

Belangenbehartiging voor en door werklozen is ook een diaconale mogelijkheid. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een spreekuur waarop met de werkloze meegedacht wordt vanuit zijn of haar belang. Voor het mogelijk maken van zo’n spreekuur is wel een werkgroep nodig, waarin breed wordt samengewerkt met plaatselijke organisaties, vakbonden en maatschappelijk werk.

Een mogelijkheid is ook het oprichten van een interkerkelijk werkgelegenheidfonds. Diaconieën kunnen in regionaal verband een fonds in het leven roepen waar mensen zonder werk, die een eigen bedrijfje willen starten financiële ondersteuning kunnen krijgen. Te denken valt aan garantstelling, waardoor leningen bij de bank gemakkelijker mogelijk worden.

Omscholen kan soms nodig zijn voor mensen om een betere kans te maken op de arbeidsmarkt. Diaconieën zouden kunnen besluiten om omscholingscursussen te betalen.
Een mogelijkheid die goed verband kan houden met de voorgaande mogelijkheden is het idee van een crisisteam, kerkelijke vacaturebank of loopbaanmaatjesproject. In de huidige crisis zijn verschillende van dit soort initiatieven al op plekken met succes opgezet. Het idee is dat een tiental mensen met bedrijven in verschillende sectoren hun netwerken bij elkaar leggen bij het helpen van mensen aan werk. Immers juist het gebrek aan een eigen netwerk kan het vinden van een nieuwe baan belemmeren. De mensen die erbij betrokken zijn helpen niet alleen bij het vinden van een baan. Ze geven indien nodig coaching, helpen bij het schrijven van een sollicitatiebrief of schakelen iemand uit een ander netwerk in. Eén iemand fungeert als entree voor het netwerk. Diegene krijgt de aanvragen binnen, anonimiseert de hulpvraag en het cv en stuurt die door naar het crisisteam. Wil iemand ZZP’er worden dan kan iemand uit een crisisteam diegene met raad en daad bijstaan. Soms kan men bij het crisisteam ook terecht voor opdrachten. De ervaring van de bestaande crisisteams is dat de bemoeienis van het team in de helft van de gevallen een baan oplevert. De ervaring is ook dat als het geen baan oplevert, mensen er toch door bemoedigd worden.

Een andere insteek waar het in het diaconaat om kan gaan, en die wel raakvlakken heeft met het voorgaande, is die van betrokkenheid op de maatschappelijke en politieke aandacht voor de huidige werkloosheidsproblematiek. Hoe gaat de lokale overheid, politieke partijen, vakbonden en andere maatschappelijke organisaties met de problematiek om? Wat zijn maatregelen en visies? Kan en wil de kerk een rol spelen in het debat en kan en wil ze bondgenoot of medespeler zijn bij maatregelen?

Een soort van combinatie van het idee van een crisisteam en van betrokkenheid op maatschappelijke en politieke aandacht komt tot uitdrukking in het initiatief GIDSnetwerk.nl. Dit is een christelijke netwerkorganisatie met allerlei plaatselijke stichtingen die leidende figuren uit politiek, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en kerken probeert te verenigen om lokale problemen zo effectief mogelijk aan te pakken.
In de kerkdiensten kan in liturgie, prediking en gebeden aandacht gegeven worden aan de economische crisis en aan de werkloosheid. Naast geïntegreerde aandacht in de kerkdiensten kan dat ook om meer thematische diensten gaan. Diensten die voorbereid kunnen worden met mensen die op verschillende manieren met de economische crisis geconfronteerd worden en met werkloosheid te maken hebben.
Tot slot is ook een mogelijkheid om in het kader van het vormings- en toerustingsprogramma aandacht te schenken aan achtergronden en oorzaken van de economische crisis en van werkloosheid. Overigens hoeft het in een gesprek over de economische crisis niet meteen over oorzaken of oplossingen te gaan, die kunnen immers ver af staan van de dagelijkse leefwereld. Gesprekken kunnen er juist mee beginnen dat mensen hun eigen verhaal over hun werk vertellen of over hoe ze hun werk verloren hebben.
Aandacht voor deze thematiek in het V&T-programma biedt de gelegenheid om in kerken tot een bredere bekendheid te komen met werk en werkloosheid en kan ook de eerder genoemde ‘onzichtbaarheid’ van werkloosheid verminderen en de waarneming ervan versterken.
Door in alle dimensies van het kerkenwerk zo aandacht te schenken aan werkloosheid, kan het een onderwerp worden dat er ‘gewoon’ bij hoort, en ‘gewoon’ aan de orde kan komen. Een kerkelijke aanpak kan daarbij gericht zijn op het ondersteunen van mensen in hun zoektocht naar werk, maar ook op het onderkennen van de situatie dat er op het moment voor velen gewoon geen werk is. Herverdeling van werk kan in dat licht een onderwerp zijn waar mede vanuit kerken op aangedrongen kan worden. Tot slot is er vanuit de overtuiging dat er van God uit gezien geen ‘inactieven’ zijn, de belangrijke opdracht om uit te zenden dat volwaardige maatschappelijke participatie vanuit een gelovig oogpunt niet samenvalt met het hebben van betaald werk. … Ik dank u voor uw aandacht.

Trinus Hoekstra is projectmanager bij het Binnenlands Diaconaat van Kerk in Actie en mededirecteur van DISK-arbeidspastoraat. t.hoekstra@kerkinactie.nl
(Deze inleiding werd gehouden op de studiedag ‘Kerk en Werk/werkloosheid’ op 21 maart 2013.)

Literatuur
DISK-Arbeidspastoraat, Arbeid, zin en geloof – Handboek Arbeid en Kerk, Uitgeverij Kok 2006, ISBN 978 90 435 1289 3
Aalt van de Glind, Van ontslag naar omslag – Je eigen route op weg naar ander werk, 2009
DISK-Arbeidspastoraat, Ondersteboven 2010-1 ‘Werkloosheid: kerende kansen …’, 2010
DISK-Arbeidspastoraat, Beroep en Bezieling – Pastores in gesprek met mensen op de werkvloer, Uitgeverij Kok 2010, ISBN 978 90 435 1823 9
Riet Fiddelaers-Jaspers en Jakob van Wielink, Aan de slag met verlies – coachen bij veranderingen op het werk, Uitgeverij Ten Have, 2012, ISBN 978 90 259 0153 0
DISK-Arbeidspastoraat, Ondersteboven 2013-2 ‘Jong én oud werkloos’, 2013

Raad van Kerken in Nederland | Koningin Wilhelminalaan 5 | 3818 HN AMERSFOORT | 033-4633844 | rvk@raadvankerken.nl

Site design: SyncCP; techniek: SiteCan