Remonstrantse gelukwens

 

De Raad van Kerken betekent veel voor de toenadering in het kader van oecumene. Maar op theologisch en kerkordelijk terrein verloopt het proces van samenwerking asymmetrisch. Dat schrijft de Remonstrantse Broederschap in een open brief aan de Raad van Kerken. In de tekst wordt een oud Remonstrantse leidraad aangereikt: Eenheid in het nodige, vrijheid in het niet-nodige, in alles de liefde.

De brief spreekt waarderend over de kerkendagen en over de inzet voor gerechtigheid, armoede en vluchtelingenbeleid. Instemming is er ook over de liturgievernieuwingen en de modellen met betrekking tot de missionaire presentie en de interreligieuze dialoog. Veel kritischer gaat het schrijven in op de openheid bij de maaltijd van de Heer, de rol van de vrouw en de zegening van levensverbintenissen. De broederschap spreekt de wens uit dat de oecumene niet een zaak is van het verleden, maar van de toekomst. De tekst is ondertekend door J.W. van der Kamp (voorzitter Commissie tot de Zaken) en A.A.I.M. Mikkers (algemeen secretaris van de Remonstrantse Broederschap).

---

REMONSTRANTSE GELUKWENS BIJ HET 40-JARIG BESTAAN VAN DE RAAD VAN KERKEN (COMPLETE TEKST)

De Raad van Kerken in Nederland bestaat veertig jaar. De Remonstrantse Broederschap wenst hem van harte geluk, al feliciteert zij daarmee ook zichzelf, want zij hoort van meet af aan tot de kerken die samen de Raad vormen. Wij laten deze gelukwens graag vergezeld gaan van enige gedachten over die afgelopen veertig jaren, over de huidige situatie en de toekomst van de Raad.

De Raad ontstond in een tijd van groot oecumenisch enthousiasme. Het tweede Vaticaans Concilie en de Wereldraadsassemblees in New Delhi en Uppsala wakkerden dat enthousiasme aan. Op veel plaatsen waren oecumenische groepen actief. De deelnemers ontdekten hoeveel ze, als christenen afkomstig uit verschillende tradities, met elkaar gemeen hadden én van elkaar konden leren. Samen zochten zij antwoorden op de uitdagingen waarvoor de moderne samenleving de kerken stelde.

Tegen de achtergrond van de mondiale problemen leek het moeilijk te aanvaarden dat kerken langer leerstellige verschillen op de spits dreven. Vloeiden die verschillen niet vaak voort uit de denkpatronen van voorbije tijden? Een groep hervormde en gereformeerde predikanten kreeg in die jaren '60 veel steun voor de oproep aan hun kerken om de onderlinge scheiding te boven te komen. De Nederlandse Hervormde kerk en de Remonstrantse Broederschap aanvaardden een rapport dat het onderlinge conflict uit 1619 in zijn historische context plaatste en concludeerde dat het nu niet langer kerkscheidend was. Alom was er toenadering. Aan een nieuwe generatie leek het nauwelijks meer uit te leggen dat christenen over zoveel kerken verdeeld waren. Nieuw kerkelijk werk werd van nu af aan vaak oecumenisch opgezet. Zo kwamen in universiteitssteden oecumenische studentengemeentes tot stand, waarin velen participeerden, de kerkelijke verdeeldheid te boven. Hier en elders deed men in die jaren in goed vertrouwen wat officieel nog niet kon: men onderstreepte de eenheid door samen de Maaltijd te vieren.

In deze sfeer van oecumenische bevlogenheid ging de Raad van Kerken van start. Velen die die tijd meemaakten kijken er met weemoed op terug, want veertig jaar later is de bevlogenheid heel wat minder. Een brede beweging 'van onder op' kun je de oecumene in ons land moeilijk meer noemen. Kerken lijken meer met de eigen identiteit en het eigen overleven bezig te zijn. Na de bijbelse tijdspanne van veertig jaar is het beloofde land van de kerkelijke eenheid nauwelijks dichterbij gekomen.

Niet dat er in de tussentijd niets positiefs gebeurde. We beperken ons tot enkele facetten van het werk van de Raad. Hij deed wat hij kon om gemeenteleden en parochianen bij de oecumene betrokken te houden - denk aan de kerkendagen rond thema's als Conciliair Proces en Verzoening. Hij nam het voortouw waar het ging om vragen van gerechtigheid, armoede, vluchtelingenbeleid - terreinen waarop de kerken samen een visie ontwikkelden en veelvuldig actie ondernamen. Hij bevorderde de liturgievernieuwing door het aanreiken van liturgieën, leesroosters. Hij ontwikkelde nieuwe modellen met betrekking tot de missionaire presentie van de kerk en de interreligieuze dialoog. Hij hield het gesprek gaande over lastige theologische en kerkordelijke vragen, zoals de visie op doop, eucharistie en ambt.

Er valt veel meer te noemen, maar het genoemde is genoeg om de Raad zeer dankbaar te zijn. Alleen, het laatste punt formuleerden wij vrij zuinig: het gesprek over theologische en kerkordelijke zaken werd 'gaande gehouden'. Kwam dat gesprek ook verder? Over de doop bleken de kerken het verregaand met elkaar eens te kunnen worden, maar over de Maaltijd en het ambt is er veel gepraat zonder dat er, met name tussen de protestantse kerken enerzijds en de Rooms-katholieke kerk anderzijds, echte toenadering was. Natuurlijk, de beraadslagingen hadden een zeker effect. Zo is in onze eigen kerk onder invloed ervan de avondmaalspraktijk veranderd: remonstranten vieren tegenwoordig de Maaltijd vaker dan voorheen. En over het bisschopsambt wordt de laatste jaren in sommige protestantse kerken meer dan tevoren in positieve zin gesproken. Maar omgekeerd blijft de Rooms-katholieke kerk onveranderlijk bij haar weigering om het protestantse predikantsambt en het protestantse Avondmaal als volwaardig te erkennen. Ja, zij sprak recentelijk nog uit dat protestantse kerken vanwege het 'tekort' in hun ambtspraktijk, niet voluit kerk zijn. Hierdoor blijft de dialoog over het kerk-zijn tussen Rooms-katholieken en protestanten vooralsnog zeer asymmetrisch.

Daar komt nog iets bij. In de afgelopen veertig jaren deden zich in de samenleving grote veranderingen voor. Zo werd de rol van de vrouw steeds meer gelijkwaardig aan die van de man en raakte homoseksualiteit breder geaccepteerd. Bij die laatste ontwikkeling sloten verschillende kerken, de remonstrantse voorop, aan door de zegening van (andere dan klassiek-huwelijkse) levensverbintenissen mogelijk te maken. In verschillende protestantse kerken werkten de ontwikkelingen ook door in regelingen met betrekking tot de ambten. Meer kerken stelden hun ambten open voor vrouwen; meer kerken spraken openlijk uit dat homoseksuele geaardheid geen beletsel is voor het vervullen van een kerkelijk ambt. Dit alles maakte het gesprek over het ambt er niet gemakkelijker op. Beleidsbepalers in de Rooms-katholieke kerk werden door deze vernieuwingen bevestigd in hun mening dat de protestanten het ware ambt miskenden. En vanuit sommige protestantse kerken, die zelf soms nog maar recent op die punten van 'de vrouw in het ambt' en homoseksualiteit de bakens hadden verzet, kon je het verwijt horen dat de R.K. Kerk een bolwerk is van behoudzucht …

Zo zijn, lijkt het, de kerken op enkele belangrijke punten in veertig jaar eerder verder van elkaar af geraakt dan nader tot elkaar gekomen. Wij betreuren dat. Des te belangrijker achten wij het dat de Raad juist nu de plaats blijft waar het gesprek over zaken als het ambt en de vrouw in het ambt, Maaltijd en intercommunie, (homo)seksualiteit, huwelijk en levensverbintenissen gaande wordt gehouden en waar dat gesprek met respect en geduld wordt gevoerd.

Wellicht kan daarbij de manier van vragen dienstig zijn, die wordt voorgesteld in het document Called to be the One Church, afkomstig van de commissie Faith and Order van de Wereldraad van Kerken (2005). Bij de beoordeling van de opvattingen van een andere kerk over bijvoorbeeld ambt of eucharistie, neigen kerken ertoe hun eigen opvattingen als maatstaf te nemen. Maar is het, zo vraagt de commissie, niet vruchtbaarder om allereerst de vraag te stellen of je bij die andere kerk een authentiek christelijk geloof herkent? Is dat zo, kun je dan niet de wijze waarop die kerk zijn praktijken van dopen, maaltijdvieren, leidinggeven (ambt) inricht, accepteren als óók een mogelijke expressie van het christelijk geloof?

Die benadering roept ons een spreuk in herinnering die sinds eeuwen voor remonstranten een leidraad is: 'Eenheid in het nodige, vrijheid in het niet-nodige, in alles de liefde'. Die spreuk (waarschijnlijk afkomstig uit de Armeens-orthodoxe kerk) lijkt ons een goed richtsnoer te zijn bij alle oecumenisch streven: over de meest centrale christelijke uitgangspunten zul je het eens moeten zijn, maar ben je dat, dan kun je op veel andere, minder centrale punten onderlinge verschillen toelaten. De eenheid die wij zoeken is er een die ruimte laat voor verscheidenheid!

Natuurlijk, wij beseffen dat met die fraaie spreuk niet alles gemakkelijk is opgelost. Wat 'het nodige' is en wat 'de meest centrale uitgangspunten' zijn: de inzichten daarover verschillen. Aan het voortgaande gesprek daarover zullen de Remonstranten graag meedoen.

Zij spreken de hoop uit dat dat gesprek in onderling respect gevoerd zal worden: 'in alles de liefde'. En uiteraard hopen zij dat het niet bij praten blijft, maar dat het oecumenisch beraad mag leiden tot een almaar meer samen optrekken van kerken, handelend en vierend, getuigend in woord en daad van Gods liefde en van Christus, die ons die liefde nabij brengt.

In zekere zin begon de Raad van Kerken in 1968 op zijn hoogtepunt, in een tijd van breed gedragen oecumenisch elan. Onze hoop is dat in de komende tijd iets van dat elan mag terugkeren, breed gedragen door velen in de kerken en dat dat ook een nieuwe generatie zal aanspreken. Want de oecumene is niet een zaak van het verleden, maar van de toekomst.

 

Raad van Kerken in Nederland
Koningin Wilhelminalaan 5
3818 HN AMERSFOORT

Facebook Twitter LinkedIn
phone033-4633844
emailrvk@raadvankerken.nl