Meditatie over pelgrimage

Hieronder volgt een meditatie in het kader van 'je leven als een pelgrimage'.
Daaronder staat een mogelijke liturgie met diverse gebeden.


Meditatie

Gemeente, één in Christus,

                  

De Wereldraad van Kerken heeft christenen wereldwijd gevraagd om de komende zeven jaar met het thema van pelgrimage bezig te zijn. De veronderstelling is, dat je met dat thema je leven in proporties ziet. We geven vandaag gehoor aan die oproep. Ons leven is als een pelgrimstocht. Jouw leven, mijn leven lijkt op een reis. Rooms-katholieken en moslims, orthodoxen en joden kennen dat beeld wel. Voor protestanten is het wennen. Zij gaan niet naar Kevelaer, Lourdes of Compostella. Ze doen de plaatsen hoogstens aan tijdens een vakantie. We krijgen er vandaag via psalm 131 mee te maken. Psalm 131 is een pelgrimslied, een lied ‘ha-ma-aloth’, letterlijk een lied van de ‘opgang’. Bij die opgang moet je denken aan joden die als pelgrims omhoog lopen naar Jeruzalem.

Laat ik proberen dat idee van een pelgrimsreis dichter bij te brengen. Je kunt het een beetje vergelijken met een autovakantie naar Oostenrijk, Frankrijk of Spanje. Je moet een verre reis maken, soms red je het niet in één dag. Je stapt in de auto en zegt: ‘We beginnen gewoon te rijden en we zien wel hoever we komen voordat we de eerste break moeten maken’. Je geeft je in zekere zin over aan de omstandigheden. Dat doe je tijdens een pelgrimage ook, maar dan niet luxe in de auto, maar meestal lopend. En dat niet één of twee dagen, maar een week of langer.

Zo’n pelgrimage of zo’n vakantie begint al voordat je vertrokken bent. We hebben bijna allemaal wel eens koffers gepakt. Je staat in de slaapkamer, legt de koffer op bed en neemt spullen uit de kast. Als je met het vliegtuig gaat, weet je dat je 20 kilo mee mag nemen. Dus je tilt de koffer van het bed, zet ‘m op de weegschaal. 23 kilo. Je haalt er weer iets uit. Je beperkt je tot het meest noodzakelijke. Het is met ons leven niet anders. Je kan niet alles meesjouwen. Alle bezit, alle ideeën die je moet verdedigen, Prediker noemt het ‘vermoeiing van de geest’.

 

De dichter van Psalm 131 heeft  geleerd hoofd- en bijzaken te scheiden. Hij is op bedevaart en zingt ondertussen uit een speciaal bundeltje. De versjes lopen van psalm 120 tot 134. De eerste psalmen gaan over Jeruzalem. Ze zingen psalm 122: ‘Hoe sprong mijn hart omhoog in mij, toen men  mij zeide: ‘Gord u aan / om naar des Heren huis te gaan’. Daarna zingen ze over zichzelf. Psalm 130: ‘Zoudt Gij indachtig wezen / al wat een mens misdeed’. En dan psalm 131. Daarin zit balans. Het is als het leven zelf. Als je veel meemaakt, kan je toegroeien naar evenwicht. Je hebt jezelf leren kennen en je impulsen leren sturen. Vers 1: ‘Here, mijn hart is niet hoogmoedig meer, mijn ogen zijn niet trots’. Dat is mooi, als je dat van jezelf kunt zeggen. Als je je onstuimige begeerte in bedwang weet te houden. Als je kunt afzien van meer en groter. Wat een verademing als je genoeg hebt aan 20 kilo.   

De cabaretier Herman Finkers heeft een periode gehad dat hij niet meer optrad. Hij had leukemie. Hij trok zich terug. Na een time-out kwam hij terug met een nieuwe show. Hij gaf het de titel: ‘Na de pauze’. Hij begon die show met het lezen van een psalm, psalm 131. In het Twents: ‘Ik kiek niet astraant oet de ogen. Ik hool miej nich gängs met grote zaken, met wat miej boven ’t benul geet’. Finkers heeft de dood in de ogen gezien en daardoor onderkent hij wat er in je leven toe doet. De nabijheid van de dood, heeft hem geholpen bij het inpakken van zijn rugzak. Hij is rustig geworden en ingetogen.

De schrijver van psalm 131 gebruikt een drieslag om dat uit te leggen. Hij heeft het over verstand, gevoel en handelen. Maar hij gebruikt daarvoor woorden van die tijd: het ‘hart’ voor wat wij ‘verstand’ noemen, ‘ogen’ voor wat wij ‘gevoel’ noemen en ‘gaan van de voeten’ voor wat wij ‘handen’ noemen. Die drie woorden hart, ogen en voeten worden daarna samengenomen in het woord ‘ziel’. ‘Ik heb mijn ziel tot rust gebracht’ (vers 2). De ziel. Wat is dat? De dokter kan je ziel niet opereren. Een psycholoog misschien… De ziel gaat over de identiteit, het diepste wezen van ons, over wie we zijn voor Gods aangezicht. 

Hoe dat gaat? Je maakt eerst contact met God via je zintuigen. Je hoort van God, je herkent God, je wordt God gewaar. Je loopt op met God. Al je zintuigen doen mee. En dan is er dat zesde zintuig. Dat zintuig in je binnenste. Dat besef van God. De ziel. Daar komt het allemaal bij elkaar. Je bezieling. Je innerlijke vrede. Je besef dat je er mag zijn, omdat God je gemaakt heeft.

Rust vinden in God. De Bijbel geeft voorbeelden. Jeremia noemt de Rechabieten. Je hebt Johannes de Doper, de Essenen. Het zijn mensen die eenvoudig leven en die de ervaringen in de woestijn als uitgangspunt nemen. Dat geldt trouwens ook voor Jezus. Zijn publieke optreden begint met de verzoeking in de woestijn. De woestijn is de bakermat van het geweten. Ga maar na: in de woestijn krijgen de joden de tien geboden. De ethiek. In de woestijn krijgen ze een tabernakel. Een heiligdom. In de woestijn krijgen ze omlijning van God. Als jij jezelf wilt leren kennen en wilt weten wat jou rust geeft, moet je zoeken naar momenten in je leven waarin je de woestijn hebt ervaren. Naar de momenten waarop je teruggeworpen werd op datgene wat er echt toe doet. In de woestijn leer je hoofd- en bijzaken te scheiden.

God doet ook iets in de woestijn. God laat er een tent maken. Want hij wil niet dat zijn volk alleen reist. Hij reist mee, maakt zich kwetsbaar. Dat is wonderlijk voor pelgrims. Gods woning, de hemel, is wel het doel van de reis. God is het einddoel. Maar hij is er ook bij, onderweg. 

‘Denk aan de tocht die de Heer, uw God, u door de woestijn heeft laten maken’, zegt Mozes (Deuteronomium 8). God heeft u in de woestijn wat het is te leven van de wind. Mozes spreekt verheven taal in zijn euforie: ‘Uw kleren raakten niet versleten en uw voeten zwollen niet op’ (vers 4). Rashi, een joodse bijbelcommentator, merkt op: ‘De wolk van de goddelijke majesteit strijkt langs hun kleren en ze glanzen (…). Hun kinderen groeien en hun kleed groeit met hen mee, zoals het huisje van de slak met het diertje meegroeit. En de voeten zwellen niet op, zoals gewoonlijk wel gebeurt bij mensen die barrevoets gaan’. Je mag het een dichterlijke manier van spreken noemen. Je kan ook zeggen, dat het alledaagse je licht valt, als je met God leeft. Het gaat lichtvoetig verder. Besef van God brengt zaken in een andere proportie. 

Het tweede deel van de psalm legt dat nog eens uit met een beeld. Er komt een punt dat de logische analyse ophoudt en dat je alleen nog maar dichter bij het geheimenis kunt komen via de poëzie. Als jij van jezelf kunt zeggen dat je leven in balans is, dan lijk je op (vers 2b) ‘een tot rust gebracht kind bij de moeder’, staat er letterlijk. De ziel die rust vindt, is als zo’n baby die net gedronken heeft en nu slaapt. Eten, drinken, slaap, veiligheid. Meer heb je  niet nodig. Jezus zegt: ‘Let op de leliën van het veld. Hoe God hen kleedt. Gaat gij ze niet verre te boven?’. 

Hoe ga jij door het leven? Globaal gesproken kan je kiezen uit drie types. Je hebt de shoppers, de stappers en de slenteraars. Je bent een shopper als je hoort bij de mensen die constant aan het verzamelen zijn. Winkel in, winkel uit, om iets te vinden wat je nog niet hebt. Je bent een stapper als je zoekt naar plezier en ontspanning. Het motto is: ‘Ik leef maar één keer, dus ik moet genieten. Ik moet’. Je bent een slenteraar als je je overgeeft aan het toeval. De shopper, de stapper en de slenteraar. We hebben van elk wel iets, maar als Matteüs er één mocht uitkiezen om toe te voegen aan zijn bergrede, zou hij zeggen: Het is de slenteraar, die het dichtst bij de zaligheid zich beweegt. Want de slenteraar kan het leven nemen zoals hij of zij het dagelijks uit Gods hand ontvangt.

Ik weet niet of het u ooit is opgevallen, maar Jezus’ leven is bij verschillende evangelisten opgeschreven als een pelgrimage. De eerste dertig jaar leeft hij als ieder mens, in cognito. Maar dan ergens op zijn dertigste laat hij zich dopen en de evangelisten beschrijven de drie jaar die volgen - zijn wonderen en gelijkenissen - als een voortdurende opgang naar Jeruzalem. Jezus gaat op, totdat hij op de dag voor het joodse paasfeest overlijdt. De pelgrim verliest zijn leven om het in het pelgrimsoord daarna als nieuw terug te ontvangen. Dat is de essentie van pelgrimeren: Je leven loslaten om het terug te krijgen.

Wij mensen leven maar kort. ‘We leven als in een tent’, zegt Paulus. We leven als God in de woestijn; in een tent. De invloeden van regen, zon, vocht, wind hebben allen hun invloed. Wij zijn kwetsbaar. ‘Wij weten, dat wanneer onze aardse tent, het lichaam waarin we wonen, wordt afgebroken, wij van God een woning krijgen: een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel’. Dus onze plek in de hemel is als een woning, waar de plek hier en nu niet meer is dan een tent. We leven nu nog in een waan. We krijgen bodem onder ons bestaan.  

Waarom is het leven te vergelijken met een pelgrimage, waarom niet met een gewone tocht? Als je gewoon op pad gaat, ga je aan de wandel en als je dat onvoorbereid doet door onbekend gebied verdwaal je. Een pelgrimage daarentegen loopt ergens op uit, heeft een doel. Het is de bestemming die het verschil maakt. De pelgrims op weg naar Jeruzalem gaan uit volle borst zingen als ze in de verte Jeruzalem zien liggen. Zo ontwaren wij in de verte contouren van een nieuwe stad. Een hemels Jeruzalem. Een stad zonder poorten. Je kunt er zo naar binnen. En een stad zonder heiligdom, want God is er alles in allen. En u en ik, wij zijn er kind aan huis. 

Amen

 

Liturgie

De volgende liturgie zou je kunnen gebruiken:

Zingen: Psalm 121

Stil Gebed

Votum en Groet

Aanvangstekst: Deuteronomium 8: 2v.

'Denk aan de tocht die de Heer, uw God, u door de woestijn heeft laten maken, veertig jaar lang. (…) Veertig jaar lang raakten uw kleren niet versleten en zwollen uw voeten niet op. Laat ieder van u dan beseffen dat de Heer, uw God, u opvoedt, zoals een vader zijn kind opvoedt’.

Zingen: Gezang 3: 3, 4

Gebod: Deuteronomium 5: 6-21

Zingen: Gezang 437: 1, 3

Gebed

Eerste lezing: Psalm 131

Tweede lezing: 2 Korintiërs 4: 18 – 5: 2

Zingen: Psalm 131

Verkondiging

Zingen: Gezang 442

Gebeden

Collecte

Zingen: Gezang 480: 5

Zegen

De liederen zijn uit het oude Liedboek voor de Kerken. De meeste staan ook in het nieuwe Liedboek. Het nieuwe Liedboek kent ook een rubriek bij het register waarin tientallen liederen staan over de pelgrimage. Als schriftlezing kan men naast de genoemde lezingen Deuteronomium 8 in zijn geheel overwegen en als evangelielezing een gedeelte uit Matteüs 6.

 

Als gebeden kunnen de volgende tekst gelezen worden:

Gebed om opening van het Woord

Here God,

U hebt uw dienaar Abraham op alle wegen bewaard.

U hebt Mozes en uw volk veilig door de woestijn geleid.

 

Wij vragen u: ga ook met ons. 

Bescherm ons. 

Geef richting op weg,

beschutting bij koude buien. 

Wees een veilig kompas met uw woord,

een voertuig om te gaan,

een stok die dreigend gevaar afwendt,

een steun in tegenspoed,

een haven die veiligheid biedt tegen de storm.

 

Geef dat wij onder uw geleide veilig door het leven reizen.

Dat uw Geest ons beschermt en licht geeft,

zodat we veilig verder gaan

en ongedeerd onze bestemming bereiken.

Hier in dit leven, opdat het is zoals u ons leven bedoelt.

En straks, in uw eeuwigheid.

Amen.

 

Dankgebed en voorbeden

 

God,  ik vraag u, 

dat mijn hart niet trots is,

dat mijn blik niet hoogmoedig is,

dat ik niet zoek wat te groot is en te hoog gegrepen.

Vader, ik vraag u,

dat ik stil mag worden,

dat mijn ziel tot rust komt,

zoals een kind op de arm van de moeder.

Dat mijn ziel zij als zo’n kind.

Heer, wij bidden u samen,

voor mensen die dorst lijden, die dorsten naar levenslust,

voor mensen die ongedurig zijn en afwezig,

voor hen die door niemand aanvaard worden.

Zend boden op hun weg.

Indien u het wenst, zend mij.

En zend engelen met geduld,

naasten met liefde,

vreemden die vriend blijken te zijn.

Open ons voor elkaar.

Soms ervaren wij grenzen, Here God, die wij niet kunnen slechten.

Waar wij slechts kunnen loslaten en overlaten.

Waar we het initiatief geheel aan U moeten laten.

We bidden U voor allen onder ons die die grens zijn tegengekomen:

Genees de pijn van het afscheid.

Geef moed om verder te gaan.

 

God, zegen ons,

nu we weggaan van hier.

Dat ons vertrek in vrede is,

dat we teerkost met ons mee mogen dragen

waar we deze week mee verder kunnen.

 

Heer, wij vertrouwen ons leven toe aan U.

Ons eigen leven, en dat van elkaar en dat van alle pelgrims en van uw volk Israël,

nu en altijd, ja tot in eeuwigheid.

Amen

 

 

Raad van Kerken in Nederland | Koningin Wilhelminalaan 5 | 3818 HN AMERSFOORT | 033-4633844 | rvk@raadvankerken.nl

Site design: SyncCP; techniek: SiteCan