Wat is een mens?

Tijdens de opening van de bijeenkomst werkgroep Vluchtelingen 29 januari 2014 las ik het volgende voor.

Citaat uit een boek van Elie Wiesel, geschreven in 1962, als hij, autobiografisch, vertelt van zijn ervaringen als Auschwitz overlevende, na aankomst in Parijs, waar hij zijn verblijfsvergun-ning moet verlengen. Als hij komt op het betreffende kantoor, schrift hij:

Zijn gedrag toonde aan, dat het inderdaad mogelijk is alle dagen van de week met een slecht humeur rond te lopen. Na de president van de Republiek, de heer des huizes, liet hij geen gelegenheid voorbij gaan om die heren vluchtelingen eraan te herinneren, dat zij eigenlijk inferieure wezens waren. In deze reusachtige zaal werd eindelijk het antwoord gegeven op de aloude vraag:”Wat is een mens? Dat is iemand wiens papieren in orde zijn”. Na uren en uren wachten werden Michaels naam en nummer afgeroepen. De stem van de ambtenaar van de vijfde afdeling klonk bits, geërgerd. Die lui stonden hem tegen. Allemaal hetzelfde. Konden ze niet blijven waar ze thuishoorden en zich koest houden, nou? Kwam hij hen soms in Hongarije of in Bulgarije of weet ik waar lastig vallen? Langdurig, zorgvuldig, bestuurde hij het dossier, bladerde hij allerlei verklaringen, foto’s, rapporten door; de jongeman die tegenover hem zat keurde hij evenwel geen blik waardig. Die jongeman zat immers niet hier tegenover hem, maar daar, in het dossier.’

Nadat hij zijn onderzoek beëindigd had, begon de ambtenaar met de gebruikelijke ondervraging. Leeftijd, adres, bezigheden, middelen van bestaan, emigratieplannen, gezinssituatie, waarom bent U hier eigenlijk, nou, waarom? Wat zou er van Frankrijk worden als alle bewoners van Midden-Europa zich hier kwamen vestigen, ik vraag het maar?

Michael antwoordde kalm, beleefd, zonder zich op te winden, zo lukte het hem zijn verontwaardiging de baas te blijven. Tenslotte werd de kostbare verblijfsvergunning, weer voor zes maanden geldig, hem als een aalmoes toegeworpen. Michael zei dankuwel. De ambtenaar deed of hij het niet gehoord had.

Verderop in dit boek, ‘De stad van het geluk’, zegt hij:

Sinds de oorlog wilde ik vooral dát begrijpen. Niets anders. Hoe men onverschillig kon blijven. De beulen, die begreep ik; de slachtoffers ook, hoewel moeilijker. Maar de anderen, alle anderen, zij die voor noch tegen waren, zij die het lieten bij een passief wachten, zij die dachten: ‘Het onweer trekt over en alles zal tot de orde terugkeren’, zij die beweerden boven de verwarring te staan, zij die in hun houding van getuige volhardden – die waren voor mij volkomen ontoegankelijk, onbegrijpelijk gebleven.

Jan van der Kolk


Foto: Beeldbank PKN.

Raad van Kerken in Nederland
Koningin Wilhelminalaan 5
3818 HN AMERSFOORT

Facebook Twitter LinkedIn
phone033-4633844
emailrvk@raadvankerken.nl