Vreemdelingenbewaring

Engelbewaarder

Bewaarschool

Wie wat bewaart….

Twee woorden en een gezegde kan ik zo al oplepelen uit mijn –katholieke-komaf en jeugd; ik had er mee te maken en zou nu, zo’n zestig jaar later, te maken krijgen met de volgende woordsamenstelling, waarin het werkwoord bewaren : vreemdelingenbewaring.

Het strak vierkanten gebouw, waarin vreemdelingen als een vlinderverzameling ‘bewaard’ worden, ligt wat achteraf en bijna stiekem op een industrie-gebied, dat, ondanks recessie, nog op industrieën wacht; schone industrieën, naar ik op kan maken uit de metershoge reclameborden, die er zijn neer geplant tussen welig tierend onkruid, puisten puin en asfaltwegen, die meest dood liepen in struik-gewas, dat ooit weilanden zou hebben kunnen omzoomd.

Doodlopende wegen…wrange symboliek van vreemdelingen die niet gewenst zijn in dit verkilde kikkerland.


Van de Airport-Rotterdam/Den Haag of ooit- Zestienhoven, zwol het geluid aan van beurtelings vertrekkende en aankomende Boeings. Vanuit hun cellen moesten de vreemdelingen ze kunnen zien en horen….? Mogelijk zou de luchthaven een voorportaal kunnen worden voor vertrek naar hun ver vaderland, waaruit ze, meest jaren geleden, waren gevlucht. Niet zomaar, geen opkomende gril of plots idee, maar om het vege lijf te redden van henzelf en hun gelieven. Met achterlating van….ja, wat? Met enig voorstellingsvermogen, vult u zelf maar in.


Daar binnen zouden we Isifu uit het Afrikaanse Benin ontmoeten. Hij bleek vergeten door het COA, maakte dit aan hen bekend en werd op een vroege morgen door de Vreemdelingenpolitie van zijn bed getild en mee naar Den Bosch genomen. De binnenkant van een politiecel leerde hij er kennen en na drie dagen getransporteerd naar de Rotterdamse Vreemdelingenbewaring. Hij was zich van geen kwaad bewust en wist niet wat hem overkwam. Tegenwoordigheid van geest genoeg om ons met zijn mobieltje op de hoogte te stellen.


Een novemberochtend hebben we deze Rotterdamse bewaarplaats voor uitgeprocedeerde asielzoekers gebeld; althans de bewaking. Eerst zei die, dat hij de naam van Isifu niet herkende; vervolgens, dat deze vreemdeling- zelf ons een uitnodiging voor een gesprek zou moeten sturen, mailen of doorbellen. Wij verzochten de functionaris om met Isifu contact te leggen en hem te laten bellen of en wanneer hij ons zou kunnen ‘ontvangen’. Uren gingen voorbij, enige reactie bleef die zelfde dag uit.


De volgende morgen belden we opnieuw op; ja, ze bleken het glad vergeten te zijn. Na een uur kwam Isifu aan de lijn; hij was blij verrast en zou ons graag zo snel mogelijk ontvangen. Zou het vanmiddag om 15.00 uur kunnen? We maakten de afspraak en reden om lunchtijd vanuit onze woonplaats Grave naar Rotterdam. Het weer was winters en de snelwegen, om die tijd, goed gevuld met vrachtwagens. Nauw namen ze het met het voor hen geldend inhaalverbod niet. Het was uitkijken geblazen.


Ruim op tijd vonden we de duurbetaalde parkeerplaats. Veel auto’s van bezoekers stonden er niet; ze waren op twee handen te tellen. We meldden ons bij een in gewapend glas gevatte balie; het aquarium van een achttal bewakers, in een uniform gestoken en druk doende een zestal beeldschermen in de gaten te houden, waarop zelfs geen spier bewoog. Een tiental camera’s gunden hen en ook ons een blik in gangen en op ongeopende deuren in diezelfde gangen. Mij lijkt: een boeiend tijdverdrijf voor hoogopgeleiden, verzot op televisie kijken.


Op ons, bezoekers werd het eerste kwartier geen acht geslagen. We mochten geduld oefenen. Plots kwam er beweging in een der ruggen in het aquarium. Voor wie wij kwamen? Of wij ons konden legitimeren? De vingers gingen langs de ook onuitsprekelijke namen. Even sloeg bij ons de twijfel toe of er nog meer Isifu’s in de Rotterdamse vreemdelingenbewaring waren of, dat een der bewakers zich zou hebben vergist of verschreven. Wij slaakten een zucht van verlichting toen hij en de goede naam en de juiste tijd ons- vanachter het glas-meedeelde. ‘Wel wat aan de late kant’, sprak hij vermanend, kijkend op de wandklok, die ons al 20 minuten verder in de tijd had gebracht.


Nu volgde nog de ceremonie van het scannen; waarin wij betrapt zouden kunnen worden op het binnensmokkelen van daar ongewenste materialen en/of voorwerpen, zoals daar zijn soft en hard drugs en niet te vergeten: de vijl; een instrument, waarmee slimme gevangenen, al in vroeger tijden, probeerden uit te breken. Niet altijd wisten gevangenisbewakers deze uitbraakpogingen te verijdelen. Vandaar dat dit rijke stof bood aan schrijvers van klassieke misdaadromans en later regisseurs van films, waarin de details van de uitbraakpogingen aan ons, lezers en kijkers uit de doeken, beter uit de boeken en de films werden gedaan. Voortdurend gepiep en het oplichten van een rode lamp in de deuropening deed ernstig vermoeden, dat wij het lef hadden hetzij de drugs, hetzij de vijl in onze spijkerbroek of in de neus van onze schoenen te verbergen. Een andere scanmethode met een zwart knuppelvormig voorwerp bood uitkomst en de bewakers…glimlachende tevredenheid. Zij voelden zich er niet alleen, zichtbaar, superieur maar ook veilig. Zowel voor hen die er ‘zitten’ als voor hen, die tot ‘de categorie bezoeker’ worden gebombardeerd.


Eindelijk zouden wij Isifu weer kunnen ontmoeten. Door een bewaker werd hij een ruime moderne ontvangsthal-met-zwart-wit wandschildering binnengeleid. Twee bewakers, vanaf een zogenaamde hoogzit, waren nodig om hem en ons in het oog en gareel te houden. Een lange, brede houtkleurige balie scheidde hem van ons. Simpele houten krukken stonden aan weerszijden, verankerd aan de grond. We zouden er eens mee kunnen gaan gooien en smijten in een vlaag van boosheid of plots opkomende verontwaardiging.


We omarmden elkaar daarover; ik hoorde ‘m snikken. Zes weken lang al, had hij geen enkel bezoek gekregen. Hij toonde ons een gelatenheid; murw kun je het ook noemen. Ons gesprek werd na 20 minuten abrupt door een van de twee bewakers afgebroken. ‘Uw tijd zit erop, wilt u afscheid van elkaar nemen’, zei hij. We hadden meer gezwegen dan gesproken; de Nederlandse taal is deze twintigjarige jongeman uit Benin nauwelijks machtig. Zijn verhaal werd door het IND niet geloofd. Een uurtje googlen bracht mijn vrouw op een krantenartikel in een gerenommeerde Franstalige krant. Hij had noch gejokt, noch gelogen. Ook zijn duim was er niet kleiner op geworden.

Harry C.A. Daudt

Foto: Beeldbank PKN.

Raad van Kerken in Nederland | Koningin Wilhelminalaan 5 | 3818 HN AMERSFOORT | 033-4633844 | rvk@raadvankerken.nl

Site design: SyncCP; techniek: SiteCan