Wereldvluchtelingendag

Preekschets voor kerken op zondag 17 juni of zondag 24 juni

Wereldvluchtelingendag, die jaarlijks op 20 juni wordt gehouden, is in 2000 ingesteld door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, via een speciale resolutie. Met deze dag willen de Verenigde Naties wereldwijd meer begrip voor vluchtelingen kweken en aandacht vragen voor de noodzaak hen te beschermen. Daarnaast streven zij naar meer duurzame oplossingen voor de miljoenen vluchtelingen en ontheemden, die niet terug naar huis kunnen of op zoek zijn naar een betere toekomst. De Raad van Kerken in Nederland hoopt dat veel kerken in de dienst aandacht aan zullen besteden aan Wereldvluchtelingendag. Barmhartigheid met de ander is immers een centraal thema in het evangelie. Om een dergelijke dienst vorm te geven vindt u hieronder een preekschets van ds. Anne Kooi voor de zondag voor of na wereldvluchtelingendag, gekoppeld aan een actie voor kinderrechten

Hij pakte een kind op en zette het in hun midden neer;

hij sloeg zijn arm eromheen…’ (Marcus 9:36)

I Preekschets bij Marcus 9: 30-37

-) Als Jezus een kind als voorbeeld van het tegendeel van belangrijkheid voor de leerlingen in hun midden brengt, is dat niet alleen een symbolische daad. Het kind is in de dagen van Jezus niet klein en vertederend, maar vooral klein en kwetsbaar.

-) De macht van Jezus is niet van deze wereld. Voor mensen die in de wereld leven is dat lastig om te begrijpen. De leerlingen van Jezus hebben er ook moeite mee om dat goed te begrijpen. De verwachtingen die er rond Jezus zijn gaan allerlei kanten op: zal hij de grote bevrijding­strijder zijn, wordt hij de nieuwe koning, of is hij de ultieme wonderdokter, een machtig prediker; zal hij op den duur veel roem en status verwerven?

-) De onderhuidse vragen van zijn leerlingen zijn dan ook heel werelds: ‘en waar passen wij dan in dat plaatje? Wie van ons kan delen in de roem, wie heeft er net een stukje meer recht op de eer?’ Maar de boodschap van Jezus is een heel andere. Terwijl de leerlingen met Jezus optrekken en van hem leren, komt er nu al voor de tweede keer een vreemde uit­spraak van Jezus tussendoor. Die past zo niet bij het verwachtingspatroon dat de leerlingen het simpelweg niet kunnen vatten. Jezus heeft het helemaal niet over een mooie toekomst. Maar hij spreekt over lijden en dood. En een opstanding uit de dood na drie dagen.

-) En dan wijst hij op die kwetsbare mens bij uitstek: een kind.

Het lot van kinderen is in de geschiedenis van de mensheid for better or for worse altijd bepaald door de belangen van de volwassenen. Als je in de weg zit, en er is geen sterke persoon die je verdedigt – hoe dan ook –, dan kun je een trap krijgen. Denk maar aan het lot van kinderen in oorlogssituaties. En denk maar aan de positie van kinderen die al dan niet met hun ouders moesten vluchten uit hun land. Nergens zijn zij echt welkom.

In de dagen van Jezus had een weeskind het heel moeilijk. En eigenlijk is dat nog zo. Vluchte­lingen­kinderen voelen zich verweesd. Zij kennen dat gevoel van grote eenzaam­heid; een gevoel er niet bij te mogen horen. Misschien houden ze daar hun leven lang een opdracht aan over: ‘leer die pijn van de ontkenning van jouw bestaan los te laten’. Het kind dat Jezus in het midden stelt staat misschien wel voor het kind in ieder mens; Jezus omarmt dat in al zijn of haar lijden. Als je de pijn van het beschadigde kind in jezelf - met Jezus naast je - kunt loslaten…, als je zo bij hem durft thuis te komen…, ben jij misschien wel de allerbelangrijkste.

-) Dit kind doet denken aan de manier waarop Jezus zelf op aarde kwam. Er was voor hem geen plaats in de herberg. Hij zal uiteindelijk de verlosser worden van de mensen. Maar dat ligt dan nog in de geschiedenis verborgen. Hij die de belangrijkste is, is dat omdat hij de dienaar is van iedereen. Jezus maakt dat waar. Hij staat voor dat kind dat daar in alle kwetsbaarheid centraal gesteld is, en in hem krijgen wij zicht op wie God is. En wat God van ons verwacht. Dit kind wordt de leraar van ons allemaal.

-) Dat zet de vraag om de rangorde onder de leerlingen in een ander licht. En dat geldt zeker voor ons, nu wij daar later over horen. De machtsvraag onderling ligt misschien wel veel subtieler dan zo op het eerste gehoor. Misschien wordt de vraag naar de menselijke grootheid gevoerd in de beste rabbijnse traditie. Of in de beste kerkelijke traditie moeten we vandaag dan zeggen. Misschien wil hij zichzelf wel als grootste laten gelden, die het vroomst leeft of het meeste geeft of het vaakst bidt. Vgl. Matteüs 6: 2-16 waar drie keer klinkt: “ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen”. Maar de oproep van Jezus in vers 35 is eenvoudig: “wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar.” Laten we het kind dat ons als voorbeeld gesteld is in het dienen (Mc 8:34 ‘neem je kruis op’), dan leren dienen door op te komen voor vluchtelingenkinderen in hun nood.

 

II Voor de liturgie

Wanneer Marcus 9: 30-37 aan de orde is in het leesrooster (jaar B), is Deuteronomium 13:1-5 de tekst uit het Eerste Testament. Het thema van de tekst in Deuteronomium zou je kunnen vatten in de zin: “blijf bij uw bevrijder”. Het is een oproep om niet te vallen voor de verleiding van een afgodendienst. Een verbinding tussen deze tekst en die van Marcus 9: 36,37 kan Leviticus 20: 1-9 zijn waarin het kinderoffer aan de afgod Moloch met kracht wordt afgewezen. Zie ook Ezechiël 20: 31 en Jeremia 19:5 als het gaat om de afwijzing van kinderoffers aan de afgoden (i.c. Baäl:) “Dat heb ik nooit geboden, nooit gezegd en nooit gewild.” Ook Psalm 8 is een spannende combinatie met Marcus 9: 30-37.

Liedboek voor de kerken, Psalm 8, Psalm 102: 6 en 8, Gezang 481: 2 vanwege: ‘... en laat ons zonder vrezen de minste willen wezen.’ Tussentijds 207 (de wijze woorden en het groot vertoon), T 120 (zo vriendelijk en veilig als het licht), T 133 (een zoon zal ons gegeven zijn).

Voor de kinderen in de kerk ZG 7: 7 (werd jij ooit bij ons geboren)

 

III Beeld

De foto bovenaan de inleiding tot deze preekschets laat 16 jongens uit Srebrenica zien. Deze foto is gevonden in een huis nadat de enclave weer min of meer toegankelijk werd voor mensen van buiten. De jongens die op de foto staan zijn allemaal dood: vermoord door Bosnische Serviërs tijdens de val van de enclave in 1995.

 

II Enkele exegetische aantekeningen bij Marcus 9: 30-37

Identificatie van Jezus

Wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt mij op”, zegt Jezus in vers 37. Het ontvangen van een anonieme kwetsbare doet denken aan Matteüs 25: 34 e.v. (“ik had honger en jullie gaven mij te eten…”). Ook hier identificeert Jezus zich met de mensen met een status waar geen eer aan te behalen is, en ook hier is het toch aandacht schenken aan deze kwetsbaren een gelijkenis van de verrassende logica van het koninkrijk van God.

In Marcus 9: 36,37 gaat het om de identificatie van Jezus met het kind. De leerlingen moeten leren om dit kind te ontvangen; zo nemen zij Jezus op. En dan om precies te zijn ook weer niet Jezus, maar Hem die hem gezonden heeft. In Marcus 10: 14,15 (“laat de kinderen bij mij komen”) gaat het om het zelf worden als een kind om toegang te krijgen tot het koninkrijk van God. Het Johannes evangelie kent deze verhalen zo niet. De parallellen van Marcus 9: 36,37 in de synoptici zijn Matteüs 18: 5 en Lucas 9: 48.

Bij Matteüs 18 staat het motief van het ontvangen van een kind ook in een directe verbinding met het worden als een kind (Marcus 10: 14,15). Matteüs 18: 2-4: net als in de Marcuspericoop is dit thema hier gekoppeld aan de vraag naar wie er de grootste is in het koninkrijk. Matteüs voegt al deze motieven in slechts een paar zinnen samen. Marcus is over al deze verschillende motieven veel uitge­breider, en dat is opmerkelijk. (Zie ook Mt 10:40-42 “wie jullie ontvangt, ontvangt mij, en wie mij ontvangt ontvangt hem die mij gezonden heeft”. De parallel van Marcus 10: 14,15 bij Lucas is te vinden in Lucas 18: 17.)

 

Het kind

To paidion, dat in dit gedeelte klinkt is hier bedoeld met het oog op de leeftijd / kleine gestalte. In het NT Grieks staat to paidion ook voor het heel kleine (pas geboren) kind. Het wordt in het NT ook gebruikt om ouder-kind verhoudingen aan te geven (Mc 9: 24), of in de zin van in het kinderlijk denken (vb 1 Kor 14:20), of als ‘kind van God gegeven’ (vb Hebr 2:13). Hebreeuws: òåÉìÅìkind, òåÌìzuigeling.

Andere Griekse woorden in dit betekenisgebied zijn nèpios (kinderlijk), en ‘ho huios’(zoon). Dit laatste woord ligt qua betekenis dicht bij het Hebreeuwse ‘ben’(zoon). Het is de mensenzoon, ‘ho huios tou antropou’ die zal worden uitgeleverd en worden gedood.

Het kind komt in dit gedeelte naar voren als kwetsbare, weerloze mens. In die zin misschien ook ontwapenend, vgl. Mt 5: 9 “gelukkig zijn de vredestichters, want zij zullen kinderen van God genoemd worden”. Plaatsen in Marcus waarin een kind een lijdende gestalte heeft: Mc 5: 35-42 (´Talita koem´), Mc 7:26-30 (dochter van een Syro-Fenicische bezeten door demon) en Mc 9: 24 (stuiptrekkende jongen van het tekstgedeelte van de vorige week). Het weerloze van een kind doet denken aan het kerstverhaal, wat overigens niet in Marcus voorkomt. Bij het kwetsbare van een kind kun je haast niet anders dan denken aan de kindermoord te Bethlehem of de moord op de jongens in Egypte bij de geboorte van Mozes. Het kind als lijdende mens komt in het Eerste Testament ook expliciet aan de orde in Klaagliederen 2: 11,12 “omdat kind en zuigeling versmachten op de pleinen van de stad”. Of Psalm 94: 6 “weduwen en vreemdelingen doden ze, kinderen zonder vader brengen ze om”.

Wanneer Jezus een kind in het midden zet, hoor je Psalm 8:3 meeklinken: “…met de stemmen van kinderen en zuigelingen bouwt u een macht op tegen uw vijanden om hun wraak en verzet te breken” (zie ook Mt 21:16). Een andere passage die hier misschien mee klinkt vinden we bij de zegen van Mozes over de stammen van Israël: “Over Benjamin zei hij: “De Heer laat zijn lieveling bij zich schuilen. Zijn kind omarmt hem van vroeg tot laat, het nestelt zich veilig op zijn rug.” (Deuteronomium 33: 12)

 

Het kind als ‘losser’

Kinderen als degenen die de ‘zonden’ van de ouders betalen en voor hun schuld moeten boeten: Jesaja 14: 21 “Leid zijn kinderen naar de slachtbank om wat hun ouders hebben misdaan”. Dit is hier toegepast op een evidente misdadiger, maar het motief lijkt ontleend te zijn aan Exodus 20: 5 en Deuteronomium 5:9 (onderdeel van de formulering van de tien woorden) waarbij de kinderen tot in het derde en vierde geslacht boeten voor de zonden van de huidige generatie. Zie ook Numeri 14: 18. Numeri 14: 33 geeft dan: “je kinderen zullen veertig jaar door de woestijn ronddolen om te boeten voor je ontrouw; tot jullie lijken hier in de woestijn vergaan zijn.”

Maar zie ook het gedeelte uit Ezechiël 18:1-4, dat aansluit bij een brede Bijbelse traditie om de kinderen vrij te pleiten van de schuld van de ouders: “Waarom gebruiken jullie in Israël toch het spreekwoord: Als de ouders onrijpe druiven eten krijgen de kinderen stroeve tanden? Zo waar ik leef – spreekt God, de Heer - nooit meer mag iemand bij jullie in Israël dit spreekwoord in de mond nemen! Weet dat alle mensenlevens mij toebehoren; zowel het leven van de ouders als dat van hun kinderen ligt in mijn hand, en alleen wie zondigt zal sterven”. Dit verbod gaat terug op Deuteronomium 24: 16 “ouders mogen niet ter dood gebracht worden om wat hun kinderen hebben misdaan, en de kinderen niet om de misdaden van hun ouders”. Daar wordt in 2 Kon 14: 6 en 2 Kron. 25:4 op teruggegrepen. Jeremia 31: 29: “dan zal men niet meer zeggen: ‘als de ouders onrijpe vruchten eten krijgen de kinderen stroeve tanden’.

 

Inbedding van de pericoop in Marcus

Na de verschijning van Elia en Mozes aan Jezus op de berg (Mc 9:4), waarbij Jezus ook het lijden van de Mensenzoon aankondigt (Mc 9: 12), begint de weg van Jezus van (noord) Galilea naar Jeruzalem. De werkelijkheid van het lijden dient zich onmiddellijk weer aan wanneer de menigte Jezus aanklampt en vraagt om genezingen. De focus van het verhaal gaat daarna in de richting van de leerlingen. Zij zijn niet bij machte om een geest uit te drijven (Mc 9:28) . In het gedeelte van Mc 9: 30-37 zijn de leerlingen als enige bij Jezus, en hij geeft hen alle aandacht: “want hij was bezig zijn leerlingen onderricht te geven” (Mc 9: 31). In het volgende gedeelte blijft dat zo. Kennelijk kiest Jezus daar bewust voor omdat hij niet wilde dat anderen te weten kwamen dat hij naar Kafarnaum reisde (Mc 9: 30). Pas in Mc 10 treedt Jezus weer in de openbaarheid en dan is daar onmiddellijk weer een grote groep mensen, vertelt Marcus.

 

Opbouw van de pericoop in verzen

30, 31: vertrek uit de streek rond Ceaesares Filippi (? Mc 8: 27, dat ligt ten noorden van Galilea in het gebied dat Dekapolis – tiensteden - heet (Mc 7: 31)). Reis door Galilea heen; niemand mag het weten, onderricht aan de leerlingen

31 b aankondiging lijden;

32 onbegrip bij de leerlingen, geen vragen durven stellen

33 Kafarnaum aankomst, ‘in huis’; vraag naar de discussies onderweg

34 leerlingen zwijgen. Er komt geen antwoord op de vraag, we horen het onderwerp wel en begrijpen waarom ze zwijgen.

35 Jezus gaat zitten, roept de leerlingen,

35b “Wie de belangrijkste wil zijn… ieders dienaar”

36 Jezus haalt een kind naar zich toe (NB), zet het in het midden,

slaat zijn arm om het kind en zegt

37 “Wie in mijn naam één zo’n kind…. gezonden heeft”

Wat opvalt is beweging aan begin en einde (de zending van Jezus), vertraging en concentratie in het midden; het kind komt helemaal centraal te staan.

 

Strijd om de voorrang

Wanneer de leerlingen aan bod komen in dit evangelie, staat hun optreden in het teken van de strijd om de voorrang. Zie ook Mc 10:43,44 bij de vraag om te mogen zitten aan Jezus rechter- en linker kant ‘in zijn glorie’- kunnen jullie de beker drinken die ik moet drinken? - : “Zo mag het bij jullie niet gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen.” Parallelle teksten in de synoptici: Lucas 9: 46-48 en Mattëus18: 1, waar de leerlingen wel de vraag naar de voorrang expliciet stellen en waar er geen melding is van rivaliteit. Zie ook Mt 20: 27 “”en wie van jullie de eerste wil zijn, zal de anderen moeten dienen” (NB). Dit is een motief dat ook in de brieven voorkomt: Romeinen 12: 10 “… en acht de ander hoger dan uzelf”.

In Mc 9: 35 staat er letterlijk “als iemand de eerste wil zijn, zal hij van allen de laatste zijn” (dus niet: ‘moet’ hij de laatste zijn). In het licht van het Koninkrijk - zou je kunnen bedenken - is de rangorde van de zwakste voorop een gegeven, en niet langer een onderwerp van de ethiek. “Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten” Mt 19:30, Luc 13: 30. Vgl. Mt 23: 11,12 “de grootste onder u zal zijn: uw bediende; en wie zichzelf zal verhogen zal worden vernederd, maar wie zichzelf zal vernederen zal worden verhoogd.” (NB)

 

Lijdensaankondiging

Overgeleverd zijn in mensenhanden’: David in 2 Samuël 24: 14. “Ik ben in het nauw gedre­ven! Liever vallen wij in de handen van de Heer, want groot is zijn mededogen, dan dat ik in mensenhanden val’; zie ook Psalm 118: “beter te schuilen bij de Heer dan te vertrouwen op mensen. Beter te schuilen bij de Heer dan te vertrouwen op mannen met macht”.

De aankondiging van het lijden in Mc 9: 31 is de tweede in het Marcusevangelie. De eerste is in Mc 8: 31. Er zijn er in totaal drie: in Mc 10: 32-34 vinden we de derde. Deze aankondi­gin­gen komen steeds zonder dat daar een directe aanleiding voor lijkt te zijn. En telkens blijkt dat de leerlingen niet begrijpen waar het over gaat. De tegenwoordige tijd in Mc 9:31 bij “de Mensenzoon wordt overgeleverd” doet de gedachte ontstaan dat het lijden dan al begonnen is. Het woord Paradidonai betekent overleveren, uitleveren, prijsgeven.

Zie ook Romeinen 8: 32 “Die zijn eigen zoon niet heeft gespaard, maar hem ter wille van ons allen heeft prijsgegeven, hoe zal hij niet ook mét hem ons alle dingen schenken?”

Of Pilatus in Joh 18: 35,36: “Uw volk en uw hogepriesters hebben u aan mij uitgeleverd; wat hebt u gedaan? Jezus antwoordde: ‘mijn koningschap is niet van deze wereld’.”

 

Voor Wereld Vluchtelingendag

ds. Anne Kooi, juni 2012

 

Raad van Kerken in Nederland
Koningin Wilhelminalaan 5
3818 HN AMERSFOORT

Facebook Twitter LinkedIn
phone033-4633844
emailrvk@raadvankerken.nl