Raad van Kerken in Nederland

2017 | Een groter wij

Gemeenschapszin mag dan bij nationalisten selectief worden ingekleurd, er is onder andere mensen een duidelijke tegenstroom aanwezig. De uitingen daarvan zouden in een dossier van de Raad van Kerken niet misstaan. Of je het nu hebt over de kerstverkondiging van koning Willem-Alexander of over de jongste populaire theologische bespiegelingen, variërend van een doorwrochte wetenschapper als dr. Cees den Heijer tot het speels vormgegeven Happinez-getuigenis van Inez van Oord, beschreven vanuit een dialoog met haar broer de theoloog Jos van Oord: ze zijn getuigen van een verlangen naar oprechte en van binnen gevoede vorm van gemeenschap.

Willem-Alexander stelt in zijn kersttoespraak vast dat mensen elkaar niet meer tegenkomen in het dagelijkse leven op de plaatsen waar ze dat vroeger wel deden; hij noemt dan expliciet de kerk, maar ook het kantoor, het café, de sportclub en de school. Het zal bij die laatste voorbeelden vooral gaan om het feit dat mensen er niet in gesprek geraken, want qua bezoekertal zijn sportclub en school vaker bezocht dan ooit. Het gaat hem in ieder geval om de verbindende functie. En dan volgt de one-liner die de media boven hun berichten plaatsten: Laten we niet zoeken naar ‘een breder ik, maar naar een groter wij’.


Diezelfde insteek vind je bij boeken met alternatieve (bedoeld op deze plaats is ‘niet-kerkelijk-georiënteerde) theologie. Dr. Cees den Heijer, meest recent werkzaam als docent aan het doopsgezind seminarium in Amsterdam, geeft in het in december 2017 verschenen ‘Jezus, een mensenleven’ een soort verantwoording van zijn persoonlijke visie op Jezus. Hij neemt afstand van klassieke keuzes van de kerk en eindigt in de laatste zin van zijn boek met een verlangen naar een meer gnostische benadering.


Waar Den Heijer stopt bij de klassieken en bronanalyse gaat Inez van Oord juist verder. Ze gaat ongeremd in gesprek met enkele bijbelverhalen, waarin ze vanuit de vergelijkende psychologiserende godsdienstwetenschap details in de teksten naar voren haalt die uiteindelijk een plek krijgen in een persoonlijk geloofsgetuigenis, waarin het wij, de persoonlijke ontwikkeling en het zalige geluksgevoel dominant zijn. Hoewel Inez van Oord, bekend als oprichtster van Happinez, het sterkst gegroeide magazine in de achterliggende jaren, slechts enkele verhalen fileert, is daar gelukkig ook de klassieker bij voor de oecumene van de torenbouw uit Babel. Hieronder drie alinea’s daaruit:


‘De Babel-legende klonk zo positief: wij gaan iets beginnen, wij gaan iets bouwen, we gaan het samen doen… Dat ‘wij’ vinden we nu allemaal heel waardevol. We willen elkaar toch verstaan? We willen dezelfde taal spreken, daar kun je seminars voor volgen of een speciale coach voor inhuren. Maar als je het nog eens leest gaat het dus toch om iets anders?

Mijn broer zegt: ‘Het gaat wel om wij, maar vooral om wij alleen. Alleen wij. De ander buitensluiten. En daar steekt God in dit verhaal een stokje voor. We hoeven niet dezelfde taal te spreken of hetzelfde te denken. We leven in een nieuw landschap met vele culturen, talen, geloofsbronnen. Tegenstellingen mogen er zijn, we vullen elkaar aan. Juist al die verschillen maken er een eenheid van’.

En toch zet het mij aan het denken. Want het zoeken naar een gezamenlijke eenheid kan ook een mooie ontwikkeling zijn. En dan doel ik niet op extremen, groeperingen die zich tegen anderen keren, maar meer op spirituele eenheid. We hebben tenslotte een gezamenlijke bron. De toren zou ook een beeld kunnen zijn van die ontwikkeling. Dan wordt Babel als symbool persoonlijker. Het is een goed joods gebruik om pratend, discussiërend, vrijer met de bijbelteksten om te gaan. Ze noemen dat de Midrasj. Mag ik bedenken wat ik wil? Dan zou de toren een symbool kunnen zijn voor het lichaam. Het lichaam heeft als doel connectie te maken met het hogere, maar als je te veel met de buitenkant bezig bent, te veel met de bouw van de toren, met het bouwen van je eigen beeld of imago, dan komt die verbinding nooit tot stand. Als je het inhoudelijke vergeet, stort de toren in. Hoogmoed komt voor de val. Het zou een uitleg kunnen zijn. Waarom niet. Tenslotte is elke symboliek bedacht’.


Uitdaging voor de Raad van Kerken, één van de weinige organen die institutioneel en daarmee meer dan gemiddeld zich naar collectieve instellingen verantwoordt, is de vraag waarin het verkondigde ‘wij-gevoel’ van de koning en van de theologen overeenkomt en waarin het verschilt van de oecumenische saamhorigheid.


Mogelijk is er een gemeenschappelijk verlangen niet alleen jezelf, maar juist ook de ander recht te doen. En een gemeenschappelijk besef dat de waarde van leven en cultuur te vinden is in de erkenning die de ander herkent en die het individuele niveau overstijgt. Geluk is zelden eenzaam, om zo te zeggen. 

En wellicht is er een verschillende waardering in de bron van waaruit je het 'collectieve wij' zoekt. Voor veel kerken begint het collectivum bij de identiteit van God zelf. Hij zegt volgens Genesis 1: 26: ‘Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend…’ (Willibrordvertaling). Voor iemand als Den Heijer is Jezus geen godenzoon, maar ‘een mens onder de mensen’, ‘een charismatische persoonlijkheid’. En Inez van Oord legt uit, dat haar moeite in het godsbeeld zit bij de verschuiving die mensen hebben doorgevoerd. Ooit was er een godin moeder aarde, ooit was er een veelvoud aan goden, maar mensen hebben die kracht vanuit de aarde naar de hemel geprojecteerd. Ze maakten er spelregels bij, een gebruiksaanwijzing. ‘Voor mij als kind was het al snel duidelijk: deze manier van denken over God gaat voor mij niet werken’.


Inez van Oord legt de zwarte piet vervolgens bij de kerk, die God heeft ingekaderd. ‘De heren van een synode (een soort kerkelijke vergadering) wilden klaarheid en duidelijkheid. Ook om wildgroei te voorkomen werd het zo bepaald. Deze selectie, deze ketting (canon) van verhalen is onze keus. (…) Vanaf dat moment werd de Bijbel ook een soort wetboek, een vechtboek, om mee te slaan, om mee te oordelen, je eigen gelijk te halen’. Vervolgens gebruikt ze dit uitgangspunt om zelf selectief te shoppen in de traditie die deze kerk haar heeft aangereikt.


Misschien is dat het vervelende voor mensen die met een sterk geprofileerde kerkelijke achtergronden de boeken van Den Heijer en Van Oord lezen: De auteurs claimen wijsheid en goede krachten voor de eigen benaderingswijze en vegen de kwalijke praktijken en visies op één hoop en poneren dat bij de kerk die daarvan de regievoerder zou zijn. Daarmee plaatsen ze automatisch zichzelf in het zonlicht en de kerk in het duister. Een dergelijke benadering is toch ietwat versimpelend.


De koning staat boven dat soort ideële verglijdingen. Hij spreekt en analyseert ingetogen. Dat laat onverlet dat uitspreken met een zekere Huub-Oosterhuis-achtige klank (‘geen breder ik, maar een groter wij’) ergens in een metafysisch domein hun bron, hun waarde, vinden. Ook een seculiere staat gebruikt metafysische waarden en vroeg of laat is er een slimmerik die zegt: ‘Waarom moeten we dit principe aanhangen?’ En op het moment dat je die vraag gaat beantwoorden ben je bezig religie uit te schrijven.


Inez van Oord, ‘Rebible’, ontdekkingen van vergeten verhalen. Kosmos Utrecht / Antwerpen.
Dr. Cees den Heijer, ‘Jezus, een mensenleven’ een geschiedenis van een mens onder de mensen. Van Warven Kampen.