Raad van Kerken in Nederland

Samenleving | Kerkelijkheid en geloof in Nederland

kerkleden, kerkgang en gelovigen in aantallen

Laurens Hogebrink, versie oktober 2017. COMMENTAAR WELKOM !

 

Samenvatting (primaire bron: de cijfers in het rapport ‘God in Nederland’, 2016)

1)      In Nederland zeggen ca. 4 miljoen mensen aangesloten te zijn bij een christelijke kerk of groepering.

2)      Ca. 1.4 miljoen mensen gaan regelmatig (1x of vaker per maand) naar de kerk.

3)      In een gewoon weekend gaan ca. 1 miljoen mensen naar de kerk.

4)      Met kerstmis gaan in Nederland ca. 3 miljoen mensen naar de kerk.

5)      Meer dan 6 miljoen Nederlanders beschouwen zichzelf als gelovig. (NB. Dit aantal is evenals de andere aantallen excl. islam en andere niet-christelijke godsdiensten. Wanneer deze worden meegerekend, telt Nederland minstens 7 miljoen gelovigen.)

 

1. Mijn motivatie voor dit overzicht: beeldvorming en religieus analfabetisme

Hoeveel mensen gaan in Nederland in een gewoon weekend naar de kerk? Stel deze vraag aan politici of journalisten en het antwoord is vaak, enigszins meewarig: misschien nog zo’n 50.000. En kerkelijke functionarissen proberen soms de moed erin te houden: nog altijd meer dan naar Ajax-Feyenoord. Dat is dezelfde orde van grootte, de Amsterdam Arena en De Kuip hebben een capaciteit van resp. 53.000 en 51.000. Weinig antwoorden komen in de buurt van de meer reële schatting van ca. 1 miljoen.

 

Dat de ontkerkelijking in Nederland verder doorzet is onmiskenbaar, vooral als je naar de twee grootste kerkgenootschappen kijkt, de RKK en de PKN. In de beeldvorming lijkt het alsof kerk en geloof geen factor van betekenis meer zijn. 82% van de bevolking bezoekt zelden of nooit meer een kerkdienst, valt af te leiden uit het nieuwste rapport ‘God in Nederland’ (GiN, zie onder). En nog maar 14% gelooft in ‘een persoonlijke God.’ Niettemin, als je de percentages in dit rapport van wie wel (nog) kerkelijk en/of gelovig zijn in aantallen omrekent en bovendien de jongeren meetelt – in veel onderzoeken gebeurt dat geen van beide - , zijn de aantallen nog altijd aanzienlijk. Dezelfde gegevens leveren dan een ander beeld op.

 

Ik wil graag iets doen aan het religieuze analfabetisme in de media en de politiek. Bovendien, als kerk en geloof zo marginaal zijn, is er ook weinig aandacht voor wat op dit gebied beweegt en verandert, naast de teruggang (die trouwens ook lang niet alle kerken raakt). Een duidelijk beeld van wat er wél nog is lijkt me om minstens drie redenen belangrijk:

 

a)      Om tegenwicht te bieden tegen de politieke neiging om de kerken uit het publieke domein te weren. En ook tegen een te negatief zelfbeeld van kerken zelf.  

b)      Omdat een duidelijker kwantitatief beeld tot meer aandacht kan leiden voor de kwalitatieve verschuivingen in kerkelijkheid en geloof: globalisering, ont-dogmatisering, diversificatie, etc. Deze vind ik interessanter dan de precieze cijfers zelf, al zijn ze zijn niet het thema van dit overzicht (wel deels van de Bijlage).

c)      Voor de discussie over de verantwoordelijkheid van de kerken in de civiele samenleving. Denk aan de steeds moeizamer legitimering (ook Europees) van onze democratie door de traditionele politieke partijen, de rol van de kerken in de ‘participatiesamenleving’, de dialoog met andere godsdiensten en culturen.   

 

2. De bronnen in 2016 met de meest recente gegevens

De primaire bron voor dit overzicht van aantallen i.p.v. percentages is de begin 2016 met veel media-aandacht verschenen vijfde editie van God in Nederland. (De reeks is in 1966 begonnen en het onderzoek is daarna vier keer herhaald.) Hier aangeduid als ‘GiN’. Auteurs: Ton Bernts en Joantine Berghuijs. Cijfers van medio 2015. Onderzochte groep 17 jaar en ouder.Dat zijn ca. 13.8 miljoen mensen op een totale bevolking van 17 miljoen. Niet in het onderzoek betrokken is dus de groep t/m 16 jaar, ofwel 3.2 miljoen. De aantallen kerkelijke jongeren van deze groep heb ik meestal moeten schatten, met hulp van ook andere bronnen. Hier zit een forse marge van onzekerheid. Maar het gaat me meer om de orde van grootte dan om de exacte cijfers. Die verschillen bovendien per bron en per gebruikte methodiek.

 

Vergeleken met andere onderzoeken zijn de aantallen van GiN bepaald niet hoog. Ter vergelijking gebruik ik het meest recente (maar veel kortere) rapport van het CBS, dat kort voor kerstmis 2016 verscheen en dat ook veel publiciteit kreeg: De religieuze kaart van Nederland, 2010-2015’ (CBS paper, december 2016). Hier aangeduid als ‘het CBS’. Auteur: Hans Schmeets. Cijfers van 2015. Onderzochte groep 18 jaar en ouder. Dat zijn ca. 13.6 miljoen mensen. Niet onderzochte groep t/m 17 jaar is dus 3.4 miljoen.

 

Door een verschil in methodiek bieden deze twee rapporten een heel verschillend beeld.

- Volgens het CBS is de helft van Nederland nog godsdienstig. Het CBS gebruikt de zgn. ééntrapsvraag (voor uitleg, zie voetnoot 1[i]). Aan de respondenten wordt meteen de keuze voorgelegd tussen een aantal alternatieven: geen gezindte, RK, PKN, islam, etc.

- In GiN is de godsdienstigheid veel lager. GiN (en veel andere onderzoeken) gebruiken de tweetrapsvraag (zie eveneens voetnoot 1). In GiN wordt eerst gevraagd of men is aangesloten bij een kerkgenootschap of godsdienstige groepering. Aan wie ja zeggen wordt vervolgens gevraagd bij welk kerkgenootschap of welke godsdienstige groepering men aangesloten is, ook met een keuzemenu (de keuzemogelijkheden van beide rapporten staan in voetnoot 1).

 

GiN geldt als het beste nu beschikbare rapport. Het CBS staat met zijn veel hogere score van kerkelijkheid tamelijk alleen; ook daarom ben ik uitgegaan van de aantallen van GiN. Maar waar GiN onduidelijk is, bv. bij kerkgang, moest ik ook naar andere bronnen kijken, incl. van het CBS, maar vooral van Kaski, - soms ongepubliceerde cijfers. Kaski is het Onderzoekscentrum Religie en Samenleving van de Radboud Universiteit in Nijmegen.

 

Tenslotte heb ik voor enkele punten ook een nog net in 2016 verschenen publicatie van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) gebruikt: het artikel van Joep de Hart ‘Kerkelijkheid en godsdienst’ in ‘Burgerperspectieven 2016/3’ (SCP, december 2016). Maar zoals gezegd, vanwege de uiteenlopende methodieken en definities zijn de cijfers moeilijk te vergelijken.[ii]

 

In een Bijlage heb ik een aantal opmerkingen en vooral vragen toegevoegd. In de voetnoten staan behalve bronnen ook nadere uitleg, opnieuw vragen en extra informatie. Maar dit eerste deel, het overzicht zelf, kan ook los daarvan worden gelezen. Afkortingen staan aan het slot.

 

NB. Met ‘Nederlanders’ wordt steeds bedoeld: volgens de CBS statistieken behorend tot de bevolking van Nederland, dus incl. inwoners met een andere nationaliteit.

 

3. Is het beeld nog te westers, te blank, te traditioneel?

Dit overzicht is niet bedoeld ter geruststelling. De cijfers van GiN bieden een overtuigend beeld van wat een ‘wijkend christendom’ wordt genoemd, m.n. waar het de twee grootste kerken betreft, de RKK en de PKN. In de PKN loopt volgens de eigen cijfers het ledental jaarlijks met gemiddeld 3% terug. De teruggang treft de RKK zelfs in dubbele zin: naast het aantal kerkleden vermindert volgens GiN ook de participatie van wie wel nog kerklid zijn. De kerkgang onder katholieken is veel sterker gedaald dan onder protestanten. (Zie ook mijn Bijlage, punt 14.) Toch rees, naast de vraag naar wat kerk en geloof getalsmatig nog wél voorstellen, ook de vraag of het totaalplaatje in GiN, en daarmee dus ook de aantallen in mijn overzicht, niet nog te zeer een westers, blank en traditioneel christendom toont. Doen de cijfers voldoende recht aan de veranderingen in de laatste decennia, m.n. de sterk gegroeide diversiteit? Want:

 

Ten eerste, de derde grote stroming in het christendom, naast Rome en de reformatie, is de oosterse en oriëntaalse orthodoxie. In een recent onderzoek t.b.v. overheidssteun voor een nieuwe ambtsopleiding voor geestelijke verzorging o.a. in krijgsmacht en gevangenissen wordt het aantal orthodoxen geschat op tussen de 170.000 en 205.000. En hun aantal groeit. Deze schatting is veel hoger dan in GiN. GiN heeft slechts een fractie van dit aantal in de kleine categorie ‘overige christelijke kerken’. Hij is ook gebaseerd op een andere opvatting van ‘kerkelijkheid’ dan die van GiN. Zie punt 6 in de Bijlage en mijn voetnoot 6.

 

Voorts, hoe relevant zijn de vragen van GiN (deels nog dezelfde als 50 jaar geleden) voor de uitpuilende garagekerken in de Bijlmer? Ik verwijs vaak naar het ontbreken van betrouwbare gegevens over de migrantenkerken, ook wel internationale kerken genoemd. Ruim één op de vijf Nederlanders heeft volgens het CBS een allochtone achtergrond. Samen zijn dat 3.7 miljoen mensen (cijfers 2016). Meer dan de helft zijn niet-westerse allochtonen. Zij kennen honderden christelijke gemeenschappen, met zeer verschillende tradities en geloofsbelevingen. Hoe definieer je ‘leden’? Hoeveel zijn dat er? Vaak is er geen registratie en ook geen landelijke structuur. De schattingen variëren enorm. De sterk gegroeide etnische en culturele diversiteit in kerkelijke Nederland is in GiN nog steeds niet zichtbaar, vermoedelijk omdat de migrantenchristenen voor een groot deel zijn zij inbegrepen in de cijfers van de RKK, de pinksterkerken, etc. Maar vullen Ghanese of Eritrese christenen zo’n lijst met 52 vragen van GiN op internet in? Insiders in deze wereld die ik sprak, betwijfelen dat. Ook als allochtonen als categorie voldoende zijn vertegenwoordigd in het voor GiN gebruikte internet panel als geheel, kan hun bijdrage toch onvoldoende in beeld zijn.[iii]

 

En tenslotte, van evangelicale, pinksterkerken, etc. van wél westerse afkomst is ook niet altijd duidelijk of zij op dezelfde manier kunnen worden geanalyseerd als de meer traditionele kerken. Ook zij hebben vaak een andere (of geen) opvatting van ‘leden’. Is hun aanhang daardoor  minder ‘kerkelijk’? Vaak zijn er meer bijeenkomsten per week. En ook hier is vaak groei, juist ook van de jeugd. Die groei gaat deels ten koste van de gevestigde kerken, ook de PKN en de RKK. Dat is moeilijk te meten, maar de afkalving die deels ook verschuiving is, krijgt in GiN wel aandacht. In elk geval tonen deze groei en diversiteit dat het niet alleen kommer en kwel is in ons land.[iv]

 

Kortom, bij mijn motivatie in par. 1 kwam een vierde punt: sterke nieuwsgierigheid naar de ‘kerkelijkheid’ in Nederland die niet meer past in het beeld van een blank, westers en traditioneel christendom. Ook zulke trends in kerkelijkheid en geloof zijn belangrijk voor de beeldvorming. Naast een ‘wijkend christendom’ is er ook een ‘veranderend christendom.’

 

4. Kerkleden op basis van de GiN cijfers: ca. 4 miljoen

Nu de aantallen waarover dit overzicht van ‘kerkelijkheid en geloof in Nederland’ gaat. Eerst de kerkleden in GiN (cijfers dus van 2015):

-          67.8 % van de 13.8 miljoen Nederlanders van 17 en ouder noemt zich volgens GiN buitenkerkelijk. Dat is dus tweederde van de volwassen bevolking.

-          4.9 % rekent zicht tot de islam, 2% tot overige niet-christelijke religies.

-          25.3% zegt lid te zijn van een christelijke kerk of groepering. Dus een kwart van de volwassen bevolking.

 

Deze laatste categorie van 25.3% telt omgerekend 3.5 miljoen kerkelijke volwassenen van 17 jaar en ouder. Daarbij moeten dus de kerkelijke jongeren t/m 16 jaar worden opgeteld. Hun participatie is in de behoudend gereformeerde, evangelicale, pinkster- en internationale migrantenkerken veel hoger dan in de PKN en de RKK. Schattingen komen uit op enkele honderdduizenden.[v] Bovendien zijn, o.a. vanwege de bovengenoemde verschillende opvattingen van ‘kerkelijkheid’ in verschillende kerkelijke stromingen, in GiN vermoedelijk ook de volwassenen van bv. de oosterse orthodoxie en evangelicale gemeenschappen enigszins ondervertegenwoordigd.[vi] Maar met de gegevens van 2015 van GiN als basis en een reële schatting van met name de ontbrekende jongeren lijkt een redelijke totaalschatting: Nederland telt ca. 4 miljoen kerkleden. Het kan intussen iets minder zijn, maar dit aantal spoort ook met de meest recente berekeningen van Kaski van ‘bewuste kerkleden’.[vii]

 

Ter vergelijking de cijfers van het CBS volgens de ééntrapsvraag.

De helft van de bevolking van 18 jaar en ouder rekent zich tot een ‘kerkelijke gezindte’.[viii] Dat lijkt twee keer zoveel als in GiN, maar bij ‘kerkelijke gezindte’ zijn bij het CBS 6 % niet-christelijke religies inbegrepen, ofwel ruim 800.00 volwassenen (vooral de islam met 4.9 %, ofwel 660.000 volwassenen). Daarnaast ook 4.6% ‘andere gezindte’, maar dit zijn volgens het CBS waarschijnlijk toch vooral christelijke groepen, m.n. evangelische (zie tabel 3.1.1, p. 4).

 

Dus zo’n 43 % beschouwt zich volgens het CBS als behorend tot een christelijke ‘kerkelijke gezindte’. Van 13.6 miljoen Nederlanders zijn dat bijna 5.8 miljoen mensen van 18 jaar en ouder. Dat is maar liefst 2.3 miljoen meer dan in GiN, en de onderzochte groep is 200.000 kleiner. En jongeren beneden de 18 moeten er nog bij worden opgeteld. Ruwe schatting: 500.000.[ix] Ook hier gaat het niet om details maar om de orde van grootte. Een redelijke schatting op basis van de CBS cijfers is dan: ruim 6 miljoen kerkleden. De CBS methodiek levert dus een derde meer kerkleden op.

 

5. Kerkbezoek: op basis van de GiN cijfers bijna 1.9 miljoen regelmatig, maar deze term is in GiN niet gedefinieerd. Als ‘regelmatig’ wordt gedefinieerd als ‘minimaal 1x per maand’ toch schatten op ca. 1.9 miljoen, op basis van vergelijkbaar onderzoek. Maar bij correctie met - deels oude - tellingen van Kaski: ca. 1.4 miljoen regelmatige kerkgangers (ruwe schatting)

In par. 1 citeerde ik al de conclusie van GiN dat 82% van de bevolking nooit of bijna nooit meer in de kerk komt. Dit kreeg ook de nadruk in persberichten bij het verschijnen van GiN in maart 2016. In 1966 was dit 43%. Het zijn alarmerende cijfers en 2015 en 2016 zijn niet het eindpunt. De vergrijzing blijft ook in de komende jaren zijn tol eisen, vooral in de RKK en de PKN. Toch is het de moeite waard om ook te kijken naar hoeveel mensen wél nog naar de kerk gaan. Voor veel mensen – en media - levert dit verrassingen op.

 

Kerkbezoek geldt als één van de belangrijkste maatstaven voor kerkelijke betrokkenheid en participatie, naast vrijwilligerswerk en financiële bijdragen. Maar helaas kan ik, anders dan in de vorige par., hier niet simpelweg de percentages van GiN in aantallen omzetten en schattingen toevoegen over jongeren (en een veel kleiner aantal vermoedelijk niet meegetelde volwassenen uit gemeenschappen met een andere opvatting van ‘kerkleden’). Want het eerste GiN onderzoek van 1966 heeft gekozen voor een vraagstelling die aan de respondenten zelf overlaat of hun kerkbezoek moet worden gezien als ‘regelmatig’ of ‘soms’ of ‘een hoogst enkele keer’ of ‘nooit’. Voor de consistentie is dit een halve eeuw volgehouden.

 

Niettemin, al in GiN 1966 werd de term ‘regelmatig’ ook toegelicht, en wel door er tussen haakjes achter te zetten: ‘bv. vrijwel iedere week.’ Deze onduidelijke formulering staat er nog steeds (vraag 50 in GiN 2016). En hij stuurt natuurlijk wél duidelijk een bepaalde kant op, namelijk: regelmatig betekent bijna wekelijks. Maar onmeetbaar is of in vijf decennia GiN in de eigen beleving van mensen de betekenis van de termen ‘regelmatig’ en ‘soms’ is veranderd. In elk geval, wie nu vergeleken met 50 jaar geleden wat vaker een viering overslaat is daarmee niet per se minder kerkelijk.

 

Terwijl in GiN ‘regelmatig’ dus nog steeds ‘bijvoorbeeld vrijwel iedere week’ betekent, wordt in de meeste andere rapporten, ook van het CBS, ‘regelmatig’ gedefinieerd als ‘minimaal 1x per maand.’ Vergelijken kan dus niet. Dat is erg onhandig.

 

In GiN 2016 is dit de uitkomst (zie GiN, p. 25): “In totaal geeft 18% van de Nederlanders aan dat ze regelmatig (veelal één keer per week) of soms (veelal enkele keren per jaar) de kerk bezoeken.” Deze 18 % van GiN zijn in totaal bijna 2.5 miljoen Nederlanders van 17 jaar en ouder. Opgesplitst in de twee categorieën ‘regelmatig’ en ‘soms’ afzonderlijk:

-          ‘Regelmatig’ gaat volgens GiN 12 % naar de kerk. Dat zijn 1.65 miljoen mensen van 17 jaar en ouder. Als we hierbij 225.000 á 250.000 jongeren optellen (globale schatting)[x] is een redelijke schatting: bijna 1.9 miljoen regelmatige kerkgangers. Maar nogmaals, wat is regelmatig? Gelukkig is voor een ander onderzoek hetzelfde panel gebruikt als voor GiN en daarin is wél de vraag meegenomen naar kerkbezoek van min. 1x per maand, met als uitkomst ook 1.9 miljoen.[xi] Het totale aantal is dan ca. 1.9 miljoen mensen regelmatig naar de kerk in de zin van 1x of vaker per maand. Sommige andere onderzoeken zijn in dezelfde orde van grootte.[xii] Toch zijn al deze aantallen vrijwel zeker te hoog vanwege ‘natuurlijke’ vertekeningen in survey onderzoek (zie onder). Kortom, dit is een onderdeel met veel onzekerheden.

-          ‘Soms’ (ofwel ‘veelal enkele keren per jaar’) gaat 6 %, dat zijn 800.000 Nederlanders van 17 en ouder. Deze categorie blijft buiten beschouwing, evenals de groep ‘nooit’.

 

Het aantal van 1.9 miljoen is te hoog, omdat in de praktijk blijkt dat mensen in surveys een hogere frequentie van kerkbezoek aangeven dan uit tellingen blijkt. Mensen doen zich mooier voor dan ze zijn. Het aantal moet dus naar beneden toe worden gecorrigeerd. Maar hoeveel? Bij rooms-katholieken is volgens Kaski het verschil groter dan bij protestanten. Volgens een survey onderzoek van het CBS gingen in 2013 600.000 volwassen rooms-katholieken minstens 1x per maand naar de kerk, terwijl Kaski op grond van tellingen in 2012 tot 350.000 kerkgangers (alle leeftijden) kwam. Dat scheelt dus bijna de helft. Bij PKN leden zal het verschil kleiner zijn.[xiii] En bij behoudend-gereformeerden aanzienlijk kleiner.

 

Bij een combinatie door Kaski van de twee methoden (surveys en tellingen) kwam het totaal in 2013 uit op 1.2 miljoen regelmatige kerkgangers van 18 jaar en ouder.[xiv] Als daarbij weer de bovengenoemde 225.000 á 250.000 jongeren worden opgeteld is het totaal ruim 1.4 miljoen mensen.Misschien was het anno 2016 iets lager, maar het kerkbezoek daalt vooral bij de RKK, in mindere mate bij de PKN, en waarschijnlijk niet of nauwelijks bij de behoudend-gereformeerde kerken, de evangelicalen en de internationale migrantenkerken (waar het soms explosief groeit), etc. Ruwe schatting: in totaal wonen in Nederland toch ca. 1.4 miljoen mensen 1x per maand of vaker een kerkelijke dienst of viering bij.[xv]

 

Ter vergelijking weer de cijfers van het CBS van het aantal van min. 1x per maand:

In 2015 ging 16.5 % ‘regelmatig’ naar de kerk, moskee of synagoge. Dat waren zo’n 2.2 miljoen mensen. Als je ca. 300.000 mensen van andere geloofsrichtingen, m.n. moslims, in mindering brengt (zie voetnoot 16[xvi]), komt het aantal regelmatige christelijke kerkgangers op 2.2 miljoen min 300.000 = 1.9 miljoen mensen van 18 en ouder. Tel nu ruim 250.000 jongeren beneden 18 jaar erbij op (het aantal jongeren is één jaargang groter dan bij GiN) en je hebt een schatting van ruim 2.1 miljoen regelmatige kerkgangers.[xvii] Maar dit aantal moet ook weer naar beneden worden bijgesteld vanwege het genoemde verschil tussen surveys en tellingen. Dan kom je ruw geschat op zo’n 1.6 miljoen. Niet zo heel veel hoger dan het aantal hierboven.

 



[i] Nader uitgelegd: bij de ‘ééntrapsvraag’ van het CBS wordt meteen gevraagd: ‘Tot tot welke kerkelijke gezindte of levensbeschouwelijke groepering rekent u zichzelf?’ met als keuzemenu: geen, r.k., geref., hervormd, PKN, islam, hindoe, joods, boeddhist, of andere gezindte. Bij de ‘tweetrapsvraag’ van GiN wordt eerst gevraagd: ‘Bent u aangesloten bij een kerkgenootschap of godsdienstige groepering?’ Vervolgens wordt alleen aan degenen die ja zeggen gevraagd welke dat is, met weer een keuzemenu: RKK, PKN, Ger. Kerken (vrijgemaakt), Chr. Geref. Kerken, Ned. Geref. Kerken, Geref. Gemeenten, Hersteld Herv. Kerk, Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten, ‘anders, namelijk….’, en ‘weet niet’.

Het CBS ziet als voordeel van de ééntrapsvraag dat hierdoor de randkerkelijkheid beter in beeld komt, nl. de groep die zegt tot een kerk of religieuze groep te behoren, maar blijkens de antwoorden op een vervolgvraag dit niet of nauwelijks in praktijk brengt door religieuze diensten bij te wonen. De tweetrapsvraag wordt geacht de ontkerkelijking beter te meten, door vergelijking met eerdere jaren.

Maar wat is anno 2016/17 ‘kerkelijk’? Bij GiN gaat het al sinds 1966 bij ‘aangesloten bij’ duidelijk om ‘kerkleden’. Het CBS vraagt tot welke ‘gezindte of levensbeschouwelijke groepering’ men ‘zich rekent’. ‘Kerklid’ zijn of zich tot een ‘gezindte’ rekenen, dat maakt toch iets uit, lijkt me. Ik ken in mijn gemeente trouwe kerkgangers die op de GiN vraag vermoedelijk nee zouden zeggen maar zich wel volop deel voelen van onze plaatselijke gemeenschap. Bovendien, veel migrantenkerken en evangelicale groeperingen kennen geen formeel lidmaatschap. En de oosterse orthodoxie gebruikt ook weer andere criteria voor ‘aangesloten bij.’ Verklaart dit misschien ook deels het grote verschil tussen het CBS en GiN? Anders gezegd, zit GiN met de wat formelere vraag die stamt uit de jaren ’60 toch te laag als het om de huidige opvattingen (meervoud) van kerkelijkheid gaat?

[ii] Naast de verschillen in methodiek zijn er vier andere lastige problemen voor een betrouwbaar beeld:

-          Er bestaat geen recent landelijk onderzoek via surveys of tellingen naar de migrantenkerken. In 2002 schatte Kathleen Ferrier in haar boekje‘Migrantenkerken’ (2002, p. 30) het totale aantal migrantenchristenen in Nederland op 800.000, op grond van veldkennis (zie ook voetnoot 24).

Wat betreft plaatselijke studies: Migranten in Mokum’ (VU, 2006) telde in 2005 zo’n 75.000 migrantenchristenen in Amsterdam (westers en niet-westers), ofwel ruim 10 % van de inwoners (p. 38). Het aantal migrantenkerkbezoekers werd geschat op 24.000, 10x zoveel als de 2.500 van de PKN (p. 40). De in 2015 verschenen ‘Gids voor Christelijke Internationale Gemeenschappen in Rotterdam’ (SKIN-Rotterdam, 2015, p. 11) telde in de eigen achterban 22.000 actieve kerkleden (die ook kerkgangers zijn), voorts 22.000 mensen die gebruik maken van de diensten van de kerken, en nog eens het dubbele aantal mensen met wie een relatie bestaat maar die geen kerkbezoekers zijn. Dat kwam neer op 90.000 allochtone christenen in Rotterdam, westers en niet-westers. Intussen schat Madelon Grant, tot voor kort directeur van SKIN-Rotterdam, het aantal op 100.000, ofwel ca.15 % van de inwoners. Dit maakt des te nieuwsgieriger naar landelijk onderzoek! Zie verder punt 5 in de Bijlage.

-          Jongeren worden zoals gezegd zelden meegeteld. Zie punt 4 in mijn Bijlage en ook de voetnoten 9 en 17.

-          De kerkelijke ledenregistratie geeft geen betrouwbaar beeld van actieve betrokkenheid. En sommige kerken tonen ook te weinig belangstelling daarvoor, getuige het besluit van de NHK in de jaren ’90 om de regelmatige tellingen door Kaski van kerkgang weg te bezuinigen. Bij veel evangelicale, pinkster-, migrantenkerken, etc. past formele registratie niet in hun kerkopvatting.

-          In publiciteit wordt vaak het middel van overdrijving gebruikt om aandacht te trekken. Zie bv. de grote tegenstelling in de berichtgeving over GiN en het CBS. Ter illustratie nog  een ander voorbeeld: onlangs stonden op Google twee berichten onder elkaar van de Radboud Universiteit. De eerste kop was ‘God blijft in Nederland.’ De tweede was ‘God verdwijnt uit Nederland.’ Het eerste bericht ging over migrantenchristenen, het tweede over GiN. Over beeldvorming gesproken!

[iii] GiN stelt dat de migrantenchristenen in de respons voldoende zijn vertegenwoordigd (GiN, p. 188, voetnoot 6). Maar zichtbaar zijn ze niet. Volgens Joep de Hart zijn m.n. de niet-westerse migranten en hun nakomelingen in de enquêtes van het Continu Onderzoek Burgerperspectieven (COB) ondervertegenwoordigd. Zie zijn artikel in ‘COB. Burgerperspectieven 2016/3’ (SCP, december 2016, p. 43). Het CBS berichtte begin 2017 over een groeiend tekort aan mensen met een migratie-achtergrond bij enquêtes (Volkskrant, 14 feb., 2017).  

[iv] Een indicator is ook het toenemende gebruik van (al dan niet overtollige) PKN en RKK gebouwen door andere gemeenschappen. In de grote steden is het probleem vaak niet een teveel aan kerkgebouwen maar dat ze op de verkeerde plaatsen staan. Voor gezamenlijk gebruik van kerkgebouwen, zie SKIN-Rotterdam, Kerken delen’ (2017). En is de groei van evangelicale en pinkstergemeenten voldoende in beeld? Een rapport uit 2014 van het Bureau Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam telde evenveel gebouwen van evangelische en pinksterkerken (deels uiteraard met een migranten achtergrond) als van PKN en RKK samen (resp. 65 en 64). En lang niet alles is bekend: huiskamers, kelderboxen, etc. Zie Derek Schippers en Clemens Wenneker, ‘Religie in Amsterdam’, jan. 2014, p. 12-14: https://www.ois.amsterdam.nl/pdf/2014_religie_in_amsterdam.pdf .

[v] Zie bv. Joris Kregting, Het meten van kerkelijke betrokkenheid’, in: Religie en Samenleving, 2014, nr 3. (p. 240). In een (niet gepubliceerde) toelichting eind 2016 schatte hij het aantal kerkelijke jongeren onder de 17 jaar op 500.000. En zie voetnoot 9: de ééntrapsvraag van het CBS levert 220.000 jongeren alleen al in de leeftijdscategorie 15 t/m 17. Als de tweetrapsvraag van GiN gemiddeld een derde lager uitkomt, kom je in deze beperkte leeftijdsgroep al op zo’n 150.000 kerkelijke jongeren.

[vi] Ter nadere toelichting nu een hele reeks cijfers.

Allereerst, op p. 21 en 22 telt GiN 5 % kerkleden die zich niet tot de RKK of de PKN rekenen. 5% van 13.8 miljoen inwoners, dat zijn bijna 700.000 leden, de jongeren dus nog niet meegeteld. Hiervan betreft volgens GiN 4.2 % (ofwel 580.000 leden) vooral de orthodox-gereformeerde, bevindelijk gereformeerde, evangelische en pinksterkerken, en de vrijzinnige kerken. (Als jongeren worden meegeteld ligt dit aantal uiteraard hoger.)

De resterende categorie van 0.8%, ofwel ruim 100.000 leden van 17 en ouder, heet ‘overige christelijke kerken’. Dit is ‘een kleine groep Nederlanders’ die betrokken is bij o.a. de verschillende apostolische en oosters-orthodoxe kerken, en de Jehova’s Getuigen (GiN, p. 22). Hoe kan dit? 

-          De apostolische kerken tellen maar eigen zeggen ca. 25.000 leden, de Jehova’s getuigen 30.000. Samen al meer dan de helft van de 100.000.

-          Wat de oosters-orthodoxe kerken betreft: wanneer ben je ‘lid’? De oosterse en oriëntaalse orthodoxie heeft als derde grote christelijke stroming in de wereld een geheel eigen kerkelijke identiteit. Voor ‘kerkelijkheid’ gelden eigen criteria. Ik noem in punt 6 van mijn Bijlage het getal van 30.000 orthodoxen in rapporten van het SCP en de WRR. Maar alleen al de Syrisch-Orthodoxe Kerk telt volgens eigen opgave in Nederland nu 25.000 gelovigen en de Armeense Apostolische Kerk ruim 17.000, zo blijkt uit een onderzoek in 2015 voor de door OCW gefinancierde nieuwe ambtsopleiding aan de VU voor geestelijke verzorging in gevangenissen, de krijgsmacht en zorginstellingen. Dit onderzoek komt uit op 188.000 orthodoxen. Met een foutmarge van 10% is het tussen 170.000 en 2005.000, zie https://www.vu.nl/nl/Images/pb_15.043_Orthodoxe_ambtsopleiding_tcm289-590843.pdf . Zijn deze mensen minder ‘kerkelijk’ dan het gemiddelde PKN of RKK lid?

-          En vallen onder deze categorie van 100.000 ‘overige’ in GiN ook de Oud-Katholieken (ca 5.000?)? De Baptisten (12.000?)? (Ik heb bij deze kerken de officiële eigen cijfers genomen, ter indicatie.) En de Anglicanen (volgens het WRR rapport 33.000, zie p. 112, tabel 4.14)? Daaronder zijn zowel autochtonen als allochtonen, de meesten zijn westers.

-          En waar zijn de migrantenkerken uit Afrika, Azië en Lat. Amerika, die niet onder de ‘gevestigde’ kerken vallen? Zijn het er zo weinig? In een voetnoot op p. 188 (nl. voetnoot 6) stelt GiN dat de migrantenchristenen zijn inbegrepen in het kwart van de bevolking dat zegt kerklid te zijn. En ook dat zij in de respons van GiN voldoende zijn vertegenwoordigd. Zijn zij dus allemaal meegeteld bij de RKK en bij evangelicalen en pinksterkerken, etc? Of is het gewoon erg lastig om de in de laatste decennia zo snel gegroeide culturele en etnische diversiteit in kerkelijk Nederland in beeld te krijgen?

NB. Voor GiN is het zgn. LISS panel (Langlopende Internet Studies voor de Sociale Wetenschappen) van de het onderzoeksbureau CentERdata (Universiteit van Tilburg) gebruikt. Dit panel omvat 7.000 leden en wordt als representatief beschouwd. Hiervan is een steekproef van 3.000 leden benaderd. Ruim 2.200 leden hebben gereageerd, ruim 2.100 responsen waren bruikbaar, dus driekwart (zie GiN, p. 199, 200). Nederland telt volgens het CBS 22% allochtonen, ofwel 3.7 miljoen (dus één op de vijf), van wie het merendeel niet-westers. Dus zou het voor GiN gebruikte panel van 3.000 mensen ca. 660 allochtonen moeten tellen, van wie het merendeel niet-westers. Dit schijnt ook redelijk te kloppen.

[vii] Zie Joris Kregting en Charlotte Sederel, Kerkelijke betrokkenheid in de 21ste eeuw, in: Religie en samenleving, Vol. 8, nr 1 (2013), tabel 1, waar dit aantal voor 2012 wordt geschat op 4.8 miljoen. In een (nog niet gepubliceerde) berekening van 2015 komt Joris Kregting op 4 miljoen. Met ‘bewuste kerkleden’ wordt bedoeld: kerkleden die een initiatie ritueel (doop, belijdenis) hebben ondergaan en zich beschouwen als lid van een christelijke kerk. 

[viii] In feite 49.9 %, dus een kleine meerderheid niet meer, nl. 50.1 %.

[ix] Het CBS rapport van dec. 2016 betreft 18 jaar en ouder, maar het CBS heeft in febr. 2017 op internet wel nadere gegevens gepubliceerd over de categorie jongeren van 15 t/m 17 jaar, ofwel 600.000 jongeren. Daarvan wordt het aantal met een ‘kerkelijke gezindte’ (incl. islam) geschat op 45%, ofwel 270.000 godsdienstige jongeren van 15 t/m 17 jaar. Minus 9% = ruim 50.000 moslims zijn dat 220.000 christelijke kerkelijke jongeren alleen al in die leeftijdsgroep. Er zijn geen CBS schattingen van jongeren beneden de 15 jaar. Zie http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82904NED&D1=0-7&D2=a&D3=l&VW=T .

[x] Niet gepubliceerde schatting van Joris Kregting (Kaski) van verschillende leeftijdsgroepen, 2016. 

[xi] Dit onderzoek, waarbij het zelfde LISS panel werd gebruikt als bij GiN, betrof een ander thema, nl. religie en etniciteit. Daarin is ook een vraag gesteld over het bezoeken van religieuze bijeenkosten in 2015, waaronder de vraag naar minstens 1x per maand. Joris Kregting (Kaski) komt op basis van de uitkomsten van dit onderzoek op 1.9 miljoen regelmatige kerkgangers (‘regelmatig’ nu dus wel gedefinieerd als 1x per maand en incl. jongeren). Uiteraard nog te corrigeren vanwege de verschillen tussen surveys en tellingen (zie onder). Voor de gestelde vragen, zie http://www.lissdata.nl/dataarchive/question_constructs/view/21547 . Omdat dit een ander onderzoek betrof, zijn de antwoorden niet in GiN opgenomen.  

[xii] Het SCP geeft voor min. 1x per maand aantallen in de orde van grootte van ruim 2 miljoen in de publicatie van dec. 2016, die is genoemd in par. 2. (Zie p. 44, na omrekening van percentages in aantallen.) Zo ook in de langlopende enquête ‘Culturele veranderingen in Nederland’.

[xiii] Zie het in voetnoot 5 geciteerde artikel van Joris Kregting, p. 237 en op p. 242 voetnoot 3.

[xiv] Idem, tabel 2.

[xv] Terzijde. GiN heeft geen cijfers voor wekelijkse kerkgang. Het CBS wel, nl. 10% van de volwassen bevolking, ofwel 1,3 miljoen mensen. Maar dit aantal zegt niet zo veel meer. Nogmaals, wie tegenwoordig af en toe een weekend overslaat is daarmee niet per se minder kerkelijk dan wie vroeger elke week ging of zelfs meerde keren per zondag. Belangrijker is de vraag naar kerkgang in een gewoon weekend, zie par. 6.

[xvi] Van de 660.000 belijdende moslims gaat 39 % 1x per maand of vaker naar de moskee: bijna 260.000. Bij de veel kleinere gemeenschappen van joden, boeddhisten en hindoes gaat het om enkele tienduizenden (zie het CBS, tabel 3.1.3.).

[xvii] Volgens het CBS (zie voetnoot 9) gaat van de categorie 15 t/m 17 jaar (dat zijn ruim 600.000 jongeren) 15% minstens 1x per maand naar een religieuze dienst: 90.000 jongeren.


Onderliggende pagina's:
  • Deel 3 : Bijlage: opmerkingen en vragen
  • Deel 2 : Kerkelijkheid en geloof in Nederland