Gastvrijheid

Frits de Lange schreef een boek ‘Heilige onrust’ waarin een hoofdstuk is gewijd aan ‘gastvrijheid’. Dat thema sluit precies aan bij de campagne ‘Kerkproeverij’, die op 9 en 10 september in diverse gemeenten en parochies wordt gehouden. Vandaar dat we iets meer over dat hoofdstuk uit het boek van de ethicus van de Protestantse Theologische Universiteit zeggen. Eerder hebben we in algemene zin over het boek geschreven en over het leidmotief: dat van de pelgrimage naar het hart van religie.


Het gaat bij gastvrijheid voor Frits de Lange niet om een toevallig thema. Voor hem is de gastvrijheid een cruciaal onderwerp. Het beschrijft de identiteit van spiritualiteit van de toekomst. Gastvrijheid is niet slechts een van vele deugden. Het legt een basis voor andere ethische beginselen. ‘De primitieve gastvrijheid dringt zich op als ethische eis in een wereld waarin alles en iedereen altijd in beweging is’.


Net als Michael Harvey, de initiatiefnemer van Kerkproeverij in Engeland, stelt De Lange dat gastvrijheid geen vanzelfsprekende eigenschap is bij mensen. Harvey zegt dat mensen bang zijn voor zoiets eenvoudigs als ‘elkaar uitnodigen’. Ze zijn zelfs bang voor ‘een ja’. Ze moeten over een drempeltje worden geholpen om de vrijmoedigheid te nemen een ander actief te benaderen en te vragen mee te gaan naar een kerkdienst. Ook De Lange stelt vast dat het nogal wat energie kost om gastvrijheid en een open houding naar elkaar te onderhouden. Neem het voorbeeld van een pelgrim die na een dag lopen ’s avonds richting een refugio gaat, een goedkope herberg voor pelgrims. Dat lijkt mooi, maar is in de praktijk soms helemaal niet zo leuk. ‘Wildvreemde mensen delen elkaars privacy op gemeenschappelijke slaapzalen in overvolle refugio’s’, verwoordt Frits de Lange. De één snurkt, de ander stinkt, een derde vertelt verhalen die helemaal niet leuk zijn. Het zijn evenzovele bewijzen dat samenleven soms meer energie kost dan dat het energie genereert.


Waarom zou je dan toch zo dwaas zijn andere mensen vriendelijk te ontvangen? Die open houding heeft met een ethische keus te maken. Je beseft dat andere mensen voor een deel van hun geluk,hun welzijn, van jou afhankelijk zijn. En je bent bereid daar tijd in te steken; iets van je privacy op te offeren. Als je die openheid weet te vinden, merk je soms, dat je meer terugkrijgt dan je aanvankelijk hebt geïnvesteerd. In het jodendom drukken ze dat uit door de mogelijkheid te benoemen dat in een ongenode gast de Messias schuilgaat. In het christendom komt dat beeld naar voren in het verhaal van de Emmaüsgangers. Twee volgelingen van Jezus zijn op weg naar huis. Een derde voegt zich bij hen en gaat als gast mee en blijkt in het breken van het brood de Messias zelf te zijn.


Wie het minder euforisch onderbouwd wilt zien, kan in het jodendom en christendom zich ook laten inspireren door de identiteit die ieder mens van God heeft gekregen. Niemand heeft hier een vaste woon- of verblijfplaats. In feite is een ieder een vreemdeling op deze aarde.

De Lange: ‘In het latere jodendom draait alles om het al dan niet je huis openen voor vreemdelingen, vanuit het besef dat we zelf ‘vreemdeling op aarde’ zijn (Psalm 119: 19). Het jaarlijkse Loofhuttenfeest herinnert joden eraan dat ze altijd tentbewoners zullen blijven, vreemdelingen die net als Abraham op hun beurt vreemdelingen ontvangen’.


Michael Harvey wijst er op, dat het doel van Kerkproeverij niet alleen de eventuele verandering in gedrag van de genodigde betreft. Net zo belangrijk is het besef bij de uitnodiger dat het nodigen van mensen en het jezelf openstellen voor gasten onderdeel is van je eigen identiteit. De campagne is al geslaagd als er veel mensen zijn die anderen uitnodigen, onafhankelijk van de vraag of die ander wil komen en of die ander blijft komen. Het is raar, dat veel christenen dat besef van een nodigend geloof zijn kwijtgeraakt in de loop der jaren.


Frits de Lange heeft een postmodern referentiekader. Hij meent dat dat het besef van vreemdelingschap, wat zo elementair is voor joden en christenen, past bij de verhoudingen in een mondiale samenleving. Hij stelt dat daarin het gedrag tussen mensen niet meer gereguleerd wordt door sterke instituties in stabiele staten noch door internationale codes en conventies. De wereld is op drift geraakt. De rechtsorde is niet (alleen) bepalend. De ethiek wordt teruggeworpen op het primitieve dilemma van een gastheer die al dan niet bereid is een pelgrim te ontvangen; en voor ‘pelgrim’ mag je hier ook ‘vluchteling’, ‘asielzoeker’ of ‘vreemdeling’ lezen.


De Lange laat zien hoe ver die gastvrijheid kan gaan als hij vertelt van een Zambiaanse student. Deze vertelde hem over een vriend wiens ouders gastvrij onderdak hadden geboden aan een hulpbehoevende man, die daarna zijn zus verkrachtte en met het hiv-virus besmette. Zijn Chewa-stam heeft een spreekwoord voor zulk noodlottig altruïsme: Chifundo chi napha nkhwali (‘De vogel werd gedood omdat hij compassie had’). De gast bleek een moordenaar te zijn. Echte gastvrijheid heeft iets van waanzin.


Voor Nederlanders heeft gastvrijheid iets van geven en nemen. De vreemdeling komt als ander binnen en zal op onderdelen onze vriend kunnen worden. ‘Maar wat als de vreemdeling geen vriend wordt’, vraagt Frits de Lange zich af, wat als de vreemdeling vreemd blijft? ‘Aan de basis van een samenleving ligt veelal een gedeelte etnische, culturele en religieuze identiteit. De vraag is hoe mensen in onderling respect kunnen samenleven, ook als ze vreemden voor elkaar zijn en blijven’.


Frits de Lange gaat in op werk van enkele filosofen, en stelt uiteindelijk met de ‘verwesterde’ Indiase filosoof Mehta, dat je een postkoloniale hermeneutiek nodig hebt. Het kernwoord daarin moet niet ‘verstaan’ of ‘begrijpen’ zijn. Dat is nog te annexerend. Het gaat enkel om een ontmoeting waarin je als vreemden op elkaar reageert. ‘Ik moet niet koste wat het kost de ander in mijn eigen ‘verstaanshorizon’ proberen te trekken’, zegt de Lange, ‘Hij is mij in principe vreemd, en toch moet ik iets met zijn presentie. Wat? Ik moet hem alleen ‘laten zijn’’. Je hoeft de ander dus niet te begrijpen, je moet de ander wel in je antwoord recht doen. Het ultieme doel is de ander ander te laten en desnoods daar de pijn van ervaren. ‘In een geglobaliseerde samenleving hebben we wereldburgers nodig die het pijnlijk ongemak van de gastvrijheid ervaren als de pijn van God zelf’, sluit Frits de Lange dit hoofdstuk af. God zelf voelt zich dus buitengesloten en dat wordt normatief voor de manier waarop je zelf accepteert buitengesloten te zijn.


Ik kan Frits nazeggen dat iedere ontmoeting gebaseerd moet zijn op respect. Respect impliceert de aanvaarding dat de ander anders mag zijn. Ik ben iets minder berustend in het ‘laat duizend bloemen bloeien’, laat staan in ‘de pijn die de ander mij mag aandoen’ van Frits de Lange. Het tweede is een vorm van zelfkastijding die ik niet altijd zinvol acht; het eerste een vorm van lethargie die onverschilligheid kan oproepen. Als wij – om dat voorbeeld te gebruiken - als christenen contact onderhouden met moslims is er respect voor de religie van de ander. Tegelijk hoop ik wel, dat de islam in het westen een westers kleurtje krijgt. Dat maakt de samenwerking een stuk makkelijker. En ik hoop dat christenen bereid zijn om moslims licht in de ogen te gunnen. Als christenen onder elkaar – om een tweede voorbeeld te geven – hoop ik op bereidheid jezelf aan te passen bij een ander; en iets minder de neiging ‘het eigen confessionele gelijk’ voorop te stellen. En ik blijf van mening, dat de ander soms meer messiaanse trekken heeft dan ikzelf heb. Dus de ander mag ook normatief voor mij zijn en mijn identiteit beïnvloeden.


Frits is op deze punten naar mijn smaak iets te ruimhartig en uiteindelijk vrijblijvend. Dat oogt welwillend, maar is onderhuids gemakzuchtig. De praktijk corrigeert hem daarin. Want het is te simpel gesteld dat er een wezenlijke ontmoeting plaatsvindt, waarin de ene gesprekspartner de andere niet zou beïnvloeden. Het is eigen aan iedere vorm van sociale gemeenschap, dat mensen op elkaar letten en zich in hun afwijkend gedrag laten corrigeren (of stimuleren) door anderen.


Terugredenerend naar Kerkproeverij: We nodigen als betrokken mensen bij de kerkelijke gemeenschap anderen uit om als gast een keer onze kerk te bezoeken. Het is niet ons ultieme doel dat de ander daarna precies hetzelfde kerkelijke gedrag gaat vertonen als wijzelf. Maar we schromen ons niet om ons hart open te leggen voor de ander, want datgene wat er in ons hart leeft, is het beste wat we hebben te delen. En jawel: de ander mag er iets van vinden….. instemmend of nuancerend. Het blijft een echte ontmoeting. En daarom ook voor de uitnodigers spannend. Ook voor jezelf is het de vraag welke wind er gaat waaien en of je voorbij de irritatie kunt komen.

Klaas van der Kamp

Voor een reactie op het thema pelgrimage in het boek 'Heilige onrust' klik hier


Raad van Kerken in Nederland | Koningin Wilhelminalaan 5 | 3818 HN AMERSFOORT | 033-4633844 | rvk@raadvankerken.nl

Site design: SyncCP; techniek: SiteCan